Verhaal

Nieuwsbrief nr. 24, 24 maart 2017

Casus 1 De beoordeling van een medische deskundigenrapportage

Casus 2 Bij nader inzien ……

Nieuwsbrief nr. 23, 9 december 2016

Een Oromo vrouw uit Ethiopië

Nieuwsbrief nr. 22, 23 september 2016

Casus Mensenhandel en gedwongen prostitutie  in Nederland

Nieuwsbrief nr. 21, 26 juni 2016

Casus 1 Palestinian suspension en Falanga

Casus 2 Dreigen met ondragelijke pijnen en de dood

Nieuwsbrief nr. 20, 8 april 2016

Casus 1 Hoe wordt medische relevantie bepaald?

Casus 2 Waarom geen artikel 18 onderzoek?

Nieuwsbrief nr. 19, 10 december 2015

Casus Sri Lanka bij iMMO-Nieuwsbrief 2015

Nieuwsbrief nr. 18, 2 november 2015

Artikel 18 EU-Procedurerichtlijn

Casus 1 – Artikel 18

Casus 2 – Artikel 18

Nieuwsbrief nr. 17, 26 juni 2015

Relevantie medisch onderzoek

Nieuwsbrief nr. 16, 20 maart 2015

Casus 1 – Langdurig slachtoffer van mensenhandel; erg laat onderkend

Casus 2 – Slachtoffer van mensenhandel in Nederland

Nieuwsbrief nr. 15, 10 december 2014

Casus 1 – iMMO-onderzoek bij een 15-jarig meisje uit Afrika?

Casus 2 – Een ontvoerde en ernstig gemartelde jongen

Nieuwsbrief nr. 14, 9 oktober 2014

Bevreemdingwekkend – in de theorie

Bevreemdingwekkend – in de praktijk
(Casus 1 en Casus 2)


Voor inhoud volgende nieuwsbrieven naar beneden scrollen

Nieuwsbrief nr. 13, 26 juni 2014 

Casus – Overbodig iMMO-onderzoek?

Casus – Onderzoek bij een oudere asielzoeker

Nieuwsbrief nr. 12, 8 april 2014

Casus – Onderzoek op maat

Casus – iMMO onderzoek noodzakelijk?

Vervolg casus – Teruggestuurd en gemarteld

Nieuwsbrief nr. 11, 10 december 2013

Casus – Zwijgen over seksueel geweld

Nieuwsbrief nr. 10, 24 oktober 2013

Casus – Vrouwelijke gehoorambtenaar geen garantie voor volledig verklaren

Casus – Verklaring ernstige marteling eerst volledig na iMMO-onderzoek

Nieuwsbrief nr. 9, 26 juni 2013

Casus – Afwijzing aanvraag iMMO-onderzoek

Nieuwsbrief nr. 8, 26 april 2013

Casus – Mishandeld en uitgeprocedeerd

Casus – Aanvraag iMMO-onderzoek bij een Dublinclaim

Casus – Teruggestuurd en gemarteld

Nieuwsbrief nr. 7, 26 november 2012

Casus – Littekens en geheugenprobleem

Casus – Duidelijke littekens

Nieuwsbrief nr. 6, 25 juni 2012

Casus – Asielaanvraag met geheugenstoornissen


Nieuwsbrief 24, 24 maart 2017

Casus 1 De beoordeling van een medische deskundigenrapportage

Het gaat om een jongeman afkomstig uit een Noord-Afrikaans land. Hij verloor op jonge leeftijd zijn vader ten gevolge van politiek geweld. Betrokkene wilde zich net als zijn vader inzetten voor de rechten van de bevolkingsgroep waar hij toe behoort en die al generaties lang wordt onderdrukt. Bij een demonstratie trad de politie hard op met stokken en knuppels en schoot willekeurig in het rond. Bij het wegrennen werd betrokkene geraakt door een kogel. Na genezing van de verwondingen ging hij terug naar school maar werd vervolgens gearresteerd.

Op het politiebureau is hij gemarteld tot hij bijna bewusteloos raakte. Hij werd, op zijn knieën of liggend met het hoofd op de grond, geslagen met stokken op het hoofd en getrapt met schoenen. Hij werd geslagen met stroomkabels. Hij kreeg alleen brood en thee. Hij was ziek van de martelingen. Slapen kon hij niet van de pijn en het plaatsgebrek in de cel. Hij werd overgebracht naar een gevangenis. Hier vonden langdurig martelingen plaats in een donkere kamer. Hij werd bijvoorbeeld vastgebonden voorover gebukt met de handen achter de benen, en gemarteld met knuppels, plastic slangen en geslagen met stroomdraad. Uiteindelijk werd hij na twee jaar op borgtocht vrijgelaten. Hij houdt zich verder afzijdig van politieke acties. Hij doet wat klusjes om geld te verdienen. De politie komt zo nu en dan langs. Naar aanleiding van de dood van een politieagent ter plaatse wordt betrokkene weer gezocht en dan besluit hij te vluchten. De langdurige gevangenschap, de martelingen die hij heeft ondergaan en tenslotte de onzekerheid rondom het verkrijgen van een verblijfsvergunning in Nederland hebben geleid tot vele lichamelijke en psychische klachten.

Op aanvraag van de advocaat van betrokkene verricht iMMO een onderzoek. De iMMO-rapportage wordt in de 2e asielaanvraag ingebracht.
– In het onderzoek worden twee littekens als typerend beoordeeld en de overige littekens als consistent tot zeer consistent. Het totaal van de littekens en lichamelijke bevindingen wordt conform § 188 van het Istanbul Protocol beoordeeld als typerend voor het gestelde relaas over martelingen als oorzaak van deze bevindingen.
– Betrokkene heeft symptomen passend bij PTSS waaronder herbelevingen en preoccupatie met zijn traumatische martelervaringen. De depressieve symptomen maken hem kwetsbaar voor de toename van PTSS-symptomen. De aard en inhoud van genoemde symptomen maken dat zijn psychische problematiek beoordeeld wordt als zeer consistent met het gestelde martelrelaas.

In het voornemen wordt overwogen dat niet valt in te zien dat iMMO met terugwerkende kracht een uitspraak kan doen over de hoorgeschiktheid van betrokkene omdat de FMMU heeft gesteld dat betrokkene gehoord kon worden.
Met betrekking tot het lichamelijk onderzoek merkt de IND op dat betrokkene stelt gemarteld te zijn op een deel van zijn lichaam waar geen littekens te zien zijn. Van de door de onderzoeker beschreven ‘aspecifieke littekens’ die geduid worden als ‘consistent’ vindt de IND dat ze als ‘mogelijk consistent’ geduid hadden moeten worden. De littekens geduid als typerend worden in het voornemen buiten beschouwing gelaten. Op verzoek van de advocaat stuurt iMMO een inhoudelijke reactie op bovenstaande passages uit het voornemen.

Uit de daaropvolgende reactie van de IND blijkt opnieuw dat sommige IND-ambtenaren zonder dat zij daartoe bevoegd zijn, eigen conclusies trekken uit de medische bevindingen in een medische deskundigenrapportage. Het had de betrokken ambtenaar gesierd indien hij bij twijfel nadere vragen aan de deskundige had gesteld, een eigen medisch onderzoek had aangevraagd of op zijn minst een medicus had gevraagd de bevindingen voor hem te duiden. De uiteindelijke beschikking valt negatief uit voor betrokkene. Hierin staat dat ‘er niet zondermeer van de geloofwaardigheid van het relaas kan worden uitgegaan. De conclusies uit de iMMO-rapportage moeten worden afgezet tegen de conclusies die op basis van de gehoren en eventuele overige relevante informatie zijn getrokken ten aanzien van de geloofwaardigheid van het verhaal’.

Vier maanden na de beschikking wordt deze alsnog ingetrokken en volgt een positieve beschikking. Niet duidelijk is welke rol de iMMO-rapportage hierin gespeeld heeft.


Casus 2 Bij nader inzien …….

Betrokkene is ten tijde van het onderzoek een wat oudere vrouw. Zij woonde in het land van herkomst met haar echtgenoot en kind en omschrijft haar leven als goed en welvarend. Na een overval waarbij het gezin bedreigd wordt en hun kind ontvoerd en vermoord, besluit betrokkene samen met haar man te vluchten. Zij vragen in Nederland asiel aan.

De IND wijst de aanvraag af. In het voornemen en beschikking wordt het asielrelaas niet geloofwaardig geacht omdat betrokkene en haar echtgenoot in de gehoren soms tegenstrijdige verklaringen afleggen.

De advocaat dient beroep in en vraagt een iMMO-onderzoek aan. iMMO bestudeert de voorhanden zijnde juridische en medische stukken. Omdat er beperkingen waren die al door MediFirst zijn benoemd en waarmee conform de werkinstructie 2010/13 rekening gehouden had moeten worden bij horen en beslissen, wijst iMMO in eerste instantie de onderzoeksaanvraag af.
Na enige tijd zegt iMMO alsnog een onderzoek toe omdat, nadat betrokkene was uitgeprocedeerd, een nieuwe situatie is ontstaan; inmiddels is de GGZ een behandeling gestart wegens een PTSS- diagnose en herbelevingen welke gekoppeld zijn aan het asielrelaas.

Het iMMO concludeert op basis van het onderzoek het volgende over de psychische klachten en het kunnen verklaren. De tijdens het onderzoek geconstateerde psychische klachten zijn gerelateerd aan het asielrelaas. Betrokkene heeft posttraumatische stressklachten, te weten herbelevingen, nachtmerries, verhoogde prikkelbaarheid en akoestische hallucinaties, met als inhoud de overval en ontvoering. De psychische klachten zijn vanwege hun aard, inhoud en verloop als typerend voor de kern van het gestelde asielrelaas beoordeeld.

De PTSS-klachten en depressieve klachten van betrokkene leiden tot concentratie- en geheugenproblemen en angstklachten. De gedachten van betrokkene worden verstoord door herbelevingen en dissociaties. Dit uit zich onder andere in zelfverwondend gedrag, lichamelijke problemen en prikkelbaarheid. Het interfereren van de psychische klachten met het doen van een compleet, coherent en consistent relaas werd als zeker beoordeeld.

In het Medisch Advies Horen en Beslissen van MediFirst wordt aangegeven dat er beperkingen zijn bij het horen en beslissen. Betrokkene heeft aangegeven vergeetachtig te zijn, is analfabeet en kan geen exacte data benoemen. Ze heeft verscheidene fysieke klachten. Betrokkene is emotioneel als ze over de gebeurtenissen spreekt. De beperkingen in het horen zijn vastgesteld en de klachten interfereerden toen zeker met het doen van een compleet en consistent asielrelaas.

De iMMO rapportage is ingebracht in een hernieuwde asielaanvraag. Op basis van de iMMO-rapportage wordt het relaas van betrokkene geloofwaardig geacht.

Nieuwsbrief 23, 9 december 2016

Ondanks de aanwezigheid van (veel) littekens biedt de immigratiedienst (IND) betrokkene geen forensisch medisch onderzoek conform artikel 18 Pri aan. Wel wacht de IND na het voornemen op de resultaten uit de forensisch medische rapportage van iMMO en betrekt deze (mede) in zijn besluitvorming.

Een Oromo vrouw uit Ethiopië
Het betreft een jonge vrouw uit Ethiopië die asiel aanvraagt in Nederland. Bij het advies horen en beslissen wordt door de FMMU geconstateerd dat ze emotioneel kan reageren maar wel gehoord kan worden. Tijdens de gehoren moet betrokkene vaak huilen maar ze kan redelijk haar verhaal doen.

Ze vertelt dat ze Oromo is en dat haar vader al voor haar geboorte was vermoord om politieke redenen. Als kind werden zij en haar moeder vanwege bijgeloof sociaal uitgesloten door de dorpelingen. Ten gevolge van deze uitsluiting is betrokkene nauwelijks naar school geweest en heeft moeder zelfmoord gepleegd. Betrokkene trouwde vervolgens met een man die politiek actief bleek te zijn voor het OLF (Oromo Liberation Front). Zij wist hier weinig van. Op een nacht was er in haar huis een inval van soldaten die op zoek waren naar haar man. Hij was niet thuis. De soldaten hebben haar mishandeld en verkracht. Ze is hierbij bewusteloos geraakt en werd wakker in een gevangenis. Ze heeft een maand in detentie gezeten en is in die periode dagelijks gemarteld en verkracht. Zo werd ze geslagen met een tak waar ze grote wonden aan overhield en die ze later tijdens haar vlucht verborgen moest houden waardoor deze aan haar kleding plakten en niet goed konden genezen. Ten gevolge van het geweld heeft zij in de gevangenis een miskraam gekregen (ze was ruim drie maanden zwanger). Ze werd vrijgelaten op voorwaarde dat ze haar man zou aangeven zodra ze hem zag. Toen ze haar man na een week weer zag, is besloten dat zij moest vluchten. Ze heeft haar man hierna nooit meer gezien of gesproken en ze weet niet of hij nu nog in leven is.

Ze is via Soedan en Libië gevlucht. Onderweg werd ze meerdere malen verkracht en ze heeft in beide landen een aantal jaren zwaar huishoudelijk werk moeten verrichten om de oversteek naar Italië te kunnen betalen. Tijdens de oversteek met een bootje heeft ze doodsangsten uitgestaan en mensen zien verdrinken. Tenslotte werd ze ook in Italië nog een keer verkracht.

In het voornemen van de IND wordt het OLF lidmaatschap van haar man niet geloofd. Ook haar detentie wordt niet geloofd omdat zij bepaalde details niet goed heeft kunnen vertellen, bijvoorbeeld hoeveel mannen haar meenamen en of de verklaring die ze moest tekenen nu getypt of geschreven was.

Na de zienswijze van de advocaat wordt de zaak aangehouden en vraagt de advocaat een iMMO-onderzoek aan.

Het onderzoek wordt uitgevoerd in twee zittingen, door een psycholoog en een arts. Betrokkene heeft een groot aantal littekens, zo’n 30 tot 40, die zijn beoordeeld van consistent tot typerend voor het relaas. Met name de littekens op haar benen zijn opvallend; de littekens lopen over het gehele bovenbeen parallel aan elkaar en passen bij het gestelde relaas dat zij met een flexibele tak zou zijn geslagen in de gevangenis. Het totaal van de littekens wordt beoordeeld als zeer consistent met haar relaas.[1]

Betrokkene heeft ernstige psychische klachten die passen bij PTSS met angst en depressie, deze zijn beoordeeld als typerend voor het relaas van het geweld in detentie, de fysieke marteling, het veelvuldig ondergaan van seksueel geweld en de miskraam ten gevolge van het geweld. Dit wordt op deze manier gesteld gezien de inhoud van haar nachtmerries, het vermijdende gedrag en de angst voor mannen in uniform. Tijdens een gehoor bij de IND krijgt betrokkene een paniekaanval omdat er een mannelijke tolk aanwezig is. De tolk moet door een vrouwelijke tolk worden vervangen.

Ook blijkt uit het onderzoek en het medisch dossier dat de psychische problemen zeker hebben geïnterfereerd met het vermogen compleet coherent en consistent te verklaren.

Nadat de advocaat de iMMO-rapportage bij de IND heeft ingediend, trekt de IND het eerdere voornemen in en krijgt betrokkene alsnog een verblijfsvergunning.

Opmerkelijk in deze zaak is dat, hoewel de FMMU aangeeft dat ‘mevrouw stelt veel littekens te hebben en zeer emotioneel kan regeren’, de IND hierin geen aanwijzing heeft gezien voor het aanbieden van een forensisch medisch onderzoek conform artikel 18 PRi 2013/32/EU. Naar aanleiding van het door de advocaat ingebrachte medisch dossier wordt in het voornemen alleen artikel 3 EVRM aangehaald, waarbij er volgens de IND geen aanwijzingen zijn voor een medische noodsituatie bij terugkeer. Deze casus geeft goed weer hoe de nieuwe regelgeving omtrent artikel 18 PRi zich nog aan het ontwikkelen is. Wie en op basis waarvan beoordeelt men dat een forensisch medisch onderzoek aangewezen is?

Opgemerkt moet worden dat de IND in deze zaak heeft gewacht op de uitslag van het iMMO-onderzoek. Men heeft de besluitvorming uitgesteld totdat alle informatie ter beschikking stond. We zien hoe dat in een zaak als deze van belang is en het medisch steunbewijs een rol kan spelen bij de geloofwaardigheidsbeoordeling.

[1] Istanbul Protocol art. 188. Ultimately, it is the overall evaluation of all lesions and not the consistency of each lesion with a particular form of torture that is important in assessing the torture story.

 

Nieuwsbrief 22, 23 september 2016

Casus Mensenhandel en gedwongen prostitutie in Nederland

iMMO verricht forensisch medisch onderzoek bij personen die gemarteld zijn of met andere vormen van mensenrechtenschendingen te maken hebben gehad. Daaronder valt ook mensenhandel. Onder mensenhandel valt elke vorm van uitbuiting: seksuele uitbuiting, maar ook bijvoorbeeld gedwongen arbeid, dienstbaarheid en slavernijachtige uitbuiting.

In de volgende casus komen verschillende soorten problematiek samen en wordt iMMO gevraagd het verband van de medische problematiek met het asielrelaas alsook met de mensenhandel te beoordelen.

Het gaat om een vrouw van begin 20 uit West- Afrika. Ze groeit op in een arm gezin en gaat niet naar school. Haar moeder overlijdt bij een auto-ongeluk waarna haar vader haar op 12-jarige leeftijd uithuwelijkt aan een oudere man, een hoge politiefunctionaris. Ze wordt door hem ernstig mishandeld en gedwongen gewelddadige seks te hebben. Na ongeveer 2 jaar wil haar man haar laten besnijden. Ze ziet dan geen andere uitweg dan weg te lopen, waarna ze op straat belandt. Hier wordt ze aangesproken door een blanke man die haar mee naar zijn huis neemt. Ze krijgt een kamer en er wordt voor haar gezorgd, in ruil moet ze seks met hem hebben.
Hij belooft haar naar een veilige plek te brengen en na enkele maanden neemt hij haar mee naar Nederland. Hier wordt ze gedwongen te werken in de prostitutie. Ze heeft dit als zeer traumatisch ervaren. Het seksuele geweld was extreem en vaak met meerdere mannen tegelijk. Na ongeveer een half jaar weet ze te ontsnappen en vraagt ze asiel aan.
Bij haar asielaanvraag verzwijgt ze in eerste instantie de prostitutie. Schaamte, en angst voor de man die haar vasthield, spelen hierbij een grote rol. Haar asielaanvraag wordt afgewezen.
Pas jaren later, na therapie, kan ze over het langdurig seksueel geweld vertellen. Ze doet dan ook aangifte bij de politie. De zaak wordt echter binnen korte tijd gesloten vanwege gebrek aan bewijs. Hierop vraagt ze opnieuw asiel aan.

In het iMMO-onderzoek wordt naast de gebruikelijke vragen (A,B) over de causaliteit van de lichamelijke en psychische problematiek met het asielrelaas en de C- en D-vragen over de medische problematiek bij verklaren, ook een E-vraag gesteld: Is het aannemelijk dat psychische klachten zijn voortgekomen uit het relaas, zoals blijkt uit de aangifte mensenhandel?

Bij het onderzoek worden zeer veel littekens gevonden welke betrokkene toeschrijft aan het geweld toegebracht door haar echtgenoot. Er worden anale afwijkingen gevonden die passend zijn bij het veelvuldig ondergaan van anale verkrachtingen. Ook wordt PTSS met depressie vastgesteld. Er heeft retraumatisatie plaatsgevonden door het gedwongen werken in de prostitutie waaraan het traumatische gedwongen huwelijk met geweld vooraf was gegaan. Hierop is geconcludeerd dat de psychische klachten van betrokkene veroorzaakt zijn door en samenhangen met het asielrelaas en zijn verhevigd door de gedwongen prostitutie. De PTSS is daarmee typerend voor het relaas zoals gesteld in de aangifte mensenhandel.

In deze casus lopen de medische problemen die zijn ontstaan door de mishandeling en gedwongen uithuwelijking over in de retraumatisatie door de mensenhandel. Daarnaast speelt nog de angst voor genitale verminking.

Achtergrond
Wereldwijd trouwen ongeveer 82 miljoen vrouwen onder de 18 jaar en veel landen hebben geen wettelijk vastgestelde minimumleeftijd voor consent voor seksueel contact. Dit heeft voor de vrouwen veelal ernstige negatieve gevolgen op de lange termijn op psychologisch, emotioneel en fysiek gebied (waaronder verhoogde kans op hiv). Het recht op onderwijs en fysieke integriteit, om niet in slavernij te hoeven leven wordt hierbij geschonden.[*1, 2]

Gedwongen uithuwelijking gaat nog op veel plekken, vooral in Afrika en Azië, gepaard met genitale mutilatie, ongeveer 3 miljoen meisjes per jaar lopen het risico op deze ernstige mutilerende ingreep. Dit komt met name nog voor in Somalië, Egypte, Ethiopië, Eritrea en Noord-Irak. [*3, 4]

Juist deze kwetsbare, arme, jonge vrouwen, die reeds zijn getraumatiseerd, hebben een groot risico slachtoffer te worden van mensenhandel [*5].

[1] United Nations: Economic and Social Council, Commission on the Status of Women, 5 december 2007. Forced marriage of the girl child. http://www.crin.org/en/docs/Girlchildreport.pdf
[2] report of the independent expert for the United Nations study on violence against children, http://www.unicef.org/violencestudy/reports/SG_violencestudy_en.pdf
[3] Factsheet Vrouwelijke Genitale Verminking PHAROS http://www.pharos.nl/documents/doc/factsheet_vgv.pdf
[4] Female Genital Mutilation / Cutting: A statistical overview and exploration of the dynamics of change, UNICEF (2013). http://www.unicef.org/publications/index_69875.html
[5]  Trafficking of persons report june 2016, Department of State, US, zie website  http://www.state.gov/documents/organization/258876.pdf

 

Nieuwsbrief 21, 26 juni 2016

Casus 1 Palestinian suspension en Falanga

Een Palestijnse man vraagt asiel aan in Nederland. Betrokkene groeide op in een groot gezin in een vluchtelingenkamp in de Gazastrook. Het leven in het kamp werd getekend door onrust, oorlogsgeweld en armoede. Hij was sympathisant van een politieke beweging en heeft zich in het bijzijn van anderen wel eens negatief uitgelaten over een andere politieke beweging. Na een bomaanslag op een leider daarvan werd betrokkene opgepakt op beschuldiging van betrokkenheid bij de aanslag. Betrokkene is tijdens de aanhouding en tijdens zijn gevangenschap zeer ernstig mishandeld door leden van die andere politieke beweging. Gedurende het martelen kreeg betrokkene een stinkende zak over zijn hoofd waardoor hij nauwelijks kon ademhalen. Hij werd in diverse houdingen gedwongen waarbij hij onder andere langdurig in staande positie in een kast werd opgesloten zonder ventilatie. Hij had het gevoel flauw te vallen. Ook werd hij in zittende positie gedwongen met een stok gefixeerd tussen zijn knieholten. Meerdere keren werd hij zeer langdurig aan zijn armen, die achterste voren werden gedraaid, opgehangen (Palestinian suspension) waardoor hij geen gevoel en kracht meer in zijn armen had. Doordat met een stok op beide voetzolen geslagen werd (Falanga), kon hij wegens de zwelling en onderhuidse bloedingen en hevige pijn niet meer op zijn voeten staan. Hij kreeg stroomstoten die via zijn rechter voet door zijn rechter lichaamshelft naar zijn hoofd trokken en stroomstoten op de onderbuik en zijn genitaliën. Betrokkene is anaal verkracht waarbij zeer langdurig sprake was van anaal bloedverlies. Daarnaast werd betrokkene tijdens de gevangenneming eten, drinken en slaap onthouden en verbleef hij in het donker waardoor hij het besef van tijd kwijtraakte. Hij werd ernstig met de dood bedreigd en heeft een schuldbekentenis moeten ondertekenen om te voorkomen dat hij geëxecuteerd zou worden. Hij werd uiteindelijk vrijgelaten en onder huisarrest geplaatst. Toen een jaar later weer een oorlog uitbrak met veel bombardementen in zijn naaste woonomgeving, werd hij gewaarschuwd door een vriend dat hij zou worden opgepakt. Betrokkene  ontsnapte uit zijn huis, is met behulp van een oom ondergedoken en is vervolgens met een reisagent Gaza ontvlucht. Hij had een zware reis met meerdere angstige voorvallen. Betrokkene kwam in shocktoestand aan in Nederland.

FMMU noemt beperkingen in het Medisch advies horen en beslissen, namelijk piekeren, onregelmatig slapen en verminderd concentratievermogen. Het korte termijn geheugen van betrokkene is verminderd vanwege de gebeurtenissen en mogelijk heeft hij daarom moeite met exacte data en namen. Tijdens het gehoor moet elk uur gepauzeerd worden en mag betrokkene niet onder druk gezet. Er worden littekens op het hoofd en beide ellebogen waargenomen. In het medisch dossier van het justitieel centrum Schiphol wordt alleen melding gemaakt van tandpijn.

Betrokkene wordt vervolgens in het detentiecentrum gehoord waarbij hij aan het einde van het nader gehoor vertelt over zijn nachtmerries en dat hij gillend wakker wordt. Hier wordt verder niet op in gegaan en er wordt hem geadviseerd om medische hulp te zoeken. Men vraagt ook naar eventuele mishandelingen maar als betrokkene hierop positief antwoordt, wordt er verder niet naar gevraagd. Twee maal wordt een pauze ingelast.

In het voornemen wordt het bevreemdingwekkend gevonden dat hij is opgepakt zonder lid te zijn van een politieke beweging. Ook wordt hem tegengeworpen dat het ongeloofwaardig is dat hij risicovol in het openbaar zijn mening over de andere politieke partij verkondigde. Geen melding wordt gemaakt van de ondergane martelingen. Via een snelle procedure – de aanvraag is in 4 maanden afgerond – belandt de zaak uiteindelijk bij de Raad van State die het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaart.

Betrokkene heeft diverse littekens op zijn lichaam en klachten van tintelingen in zijn been, hoofdpijn en pijnlijke voeten. Betrokkene heeft ook psychische klachten, waaronder een PTSS met matig ernstige depressie, waarvoor hij onder behandeling is van een psychiater. Dit meldt hij later bij het GCA.

Een half jaar na de eerste aanvraag volgt een tweede asielaanvraag waarbij betrokkene VA wordt gestuurd en waarin de advocaat een iMMO-rapportage indient. Twee maanden na het versturen van de iMMO-rapportage volgt een positieve beschikking waarbij duidelijk is dat de rapportage als steunbewijs van invloed was.

Casus 2 Dreigen met ondragelijke pijnen en de dood

In deze casus betreft het een zeer jonge man uit een Afrikaans land. Regelmatig werden bij hem huiszoekingen door politie en militairen uitgevoerd omdat een familielid actief betrokken was bij een verzetsbeweging. Nadat een medestrijder van die verzetsbeweging na  marteling was doorgeslagen  en naam en huis van de familie genoemd had, werd betrokkene midden in de nacht door politie en militairen opgepakt en gevangen genomen. Hij heeft vervolgens twee maanden gevangen gezeten en werd in die tijd frequent verhoord over zijn familierelatie, diens verblijfsplaats en over opslag van wapens. Hij verbleef eerst alleen in een kleine donkere cel, later in een kleine ruimte met andere gevangenen. Hij kon zich daar niet bewegen, er was nauwelijks daglicht noch frisse lucht en hij heeft zich gedurende de twee maanden van detentie niet kunnen wassen. Hij werd in een andere kamer verhoord en gemarteld. Dit gebeurde meerdere keren per week, soms iedere dag. Hij werd geslagen, geschopt en bewerkt met elektriciteitskabels, hete stangen en brandend plastic. Ook onderging hij naakt in koud water schijnverdrinking (het zogenaamde waterboarding) tot hij bewusteloos raakte. Hij moest langdurig in pijnlijke houdingen staan. ’s Nachts hoorde hij mensen schreeuwen en gillen en hij hoorde geweerschoten. Een militair zei tegen hem: “je hoort de hele nacht schieten. Met ieder schot wordt er iemand gedood. Dat gaat ook met jou gebeuren”. Betrokkene was hele nachten wakker uit angst dat ze hem zouden komen halen. De onvoorspelbaarheid of het ook echt zou gebeuren vond hij ondraaglijk. Omdat hij regelmatig ’s nachts verhoord en gemarteld werd, was er sprake van slaapdeprivatie. Hij onderging verder seksuele martelingen. Zo werd een jerrycan gevuld met twee liter water met een touw aan zijn penis vastgebonden. Hij moest rechtop tegen de muur blijven staan met zijn handen omhoog. Als hij niet kon blijven staan en door zijn benen zakte, moest hij toch weer omhoog. Hij heeft hiervan veel irritatie, infecties en wondjes aan zijn penis overgehouden. Verder werd hij constant geïntimideerd, vernederd en met de dood of ondragelijke pijnen bedreigd.

In de wetenschappelijke literatuur bestaat consensus dat er geen wezenlijk onderscheid valt te maken tussen fysieke of psychologische marteling. Beide vormen zijn marteling en beide leiden tot lichamelijke en psychische schade. Almerindo E. Ojeda, e.a publiceerden in 2008  een omvangrijke studie The Trauma of Psychological Torture  over (de gevolgen van) psychologische marteling en men stelt dat psychologische marteling niet te omschrijven is in termen van toegebracht leed, maar in termen van gebruikte methoden.  Hij beschrijft 13 verschillende methoden en stelt dat wanneer deze methoden zijn gebruikt, men dus kan spreken over ondergane psychologische marteling. In de hier genoemde zaak was dan sprake van Isolering/Eenzame opsluiting, Psychologische Verzwakking, Desoriëntatie in Tijd, Wanhoop opwekken, Bedreigingen, ‘Dierlijke’ behandeling (zo werd hij in onmenselijke omstandigheden in detentie gehouden en hem werd persoonlijke hygiëne in een volle, kleine cel onthouden) en Seksuele vernedering.

Betrokkene kon na 2 maanden ontsnappen. Hij is zo snel mogelijk zijn land ontvlucht en heeft in Nederland asiel aangevraagd. De asielaanvraag werd afgewezen omdat de IND zijn relaas niet geloofwaardig achtte. Betrokkene verklaarde bevreemdend en tegenstrijdig. Er werd bijvoorbeeld aan de ontsnapping getwijfeld. De zaak wordt afgewezen tot en met hoger beroep .…
Betrokkene heeft uiteenlopende psychische en fysieke klachten als gevolg van de martelingen en werd onderzocht door een arts en klinisch psycholoog van iMMO. Met  een  iMMO-rapportage wordt een nieuwe asielaanvraag ingediend.

Nieuwsbrief nr. 20, 8 april 2016

Sinds 20 juli 2015 is in Europa de herziene EU-procedurerichtlijn (2013/32/EU) en daarbij voor Nederland art. 3.109e Vb 2000 en Vc C1/4.4.4 VW 2000 van toepassing. In artikel 18 van de procedurerichtlijn wordt gesteld dat wanneer een immigratiedienst een forensisch medisch onderzoek voor de beoordeling van het asielrelaas relevant vindt, men zo’n onderzoek mogelijk moet maken. Het medisch onderzoek maakt vervolgens deel uit van een integrale weging van een asielaanvraag. Dat geldt ook indien een asielzoeker zelf een medisch onderzoek inbrengt. Belangrijke vragen in dit opzicht zijn: wanneer vindt een immigratiedienst een medisch onderzoek relevant, wat betekent ‘integrale weging’ en hoe ziet zo’n medisch onderzoek eruit?

Casus 1 Hoe wordt medische relevantie bepaald?
Een advocaat komt bij iMMO met onderstaande aanvraag.
Betrokkene is een jongeman uit Ethiopië, behorende tot een etnische minderheidsgroep. Al direct bij aankomst meldt betrokkene zich bij het GC A (Gezondheidscentrum Asielzoekers) om te worden behandeld voor veel stressklachten, eczeemplekken en een brandwond op zijn hand.

Ruim een maand later wordt hij opgeroepen door de FMMU (Forensisch Medische Maatschappij Utrecht) voor het Medisch Advies Horen en Beslissen alvorens de gehoren bij de IND starten. Tijdens het consult wordt eveneens duidelijk dat er allerlei klachten zijn. Zo wordt door de verpleegkundige aangegeven dat sprake is van medische klachten die beperkingen opleveren welke relevant zijn bij het horen en beslissen. Betrokkene heeft veel last van stress, kan snel emotioneel worden, zegt zich slecht te kunnen concentreren en vergeet al snel de vragen die hem gesteld worden. Er wordt melding gemaakt van verschillende littekens  en er  wordt  opgemerkt dat betrokkene bij het GC A was en medicatie gebruikt wegens stressklachten. In het onderliggende onderzoeksformulier van het Medisch Advies worden nog meer en uitgebreidere klachten gerapporteerd.

De IND-gehoren vinden een maand later plaats. Tijdens het eerste gehoor geeft betrokkene opnieuw aan last te hebben van psychische klachten en dat hij littekens heeft. In de correcties en aanvullingen van de advocaat op dat eerste gehoor vraagt deze aandacht voor de psychische en fysieke klachten van zijn cliënt en verzoekt deze om een medisch onderzoek conform artikel 18. De advocaat levert tevens een IMMO-signaleringslijst in (een lijst voor leken die psychische en lichamelijke klachten bij asielzoekers signaleren).

De IND geeft geen gehoor aan het verzoek om een medisch onderzoek en vervolgt de procedure met het nader gehoor. Ook daarin worden verschillende psychische klachten en littekens gemeld en wijst de advocaat in de correcties en aanvullingen opnieuw op het belang van een medisch onderzoek en op het gebruik van werkinstructie 2015/8 waarin geregeld wordt hoe de IND om dient te gaan met een asielzoeker die behoort tot een kwetsbare groep.

Opnieuw besluit de IND niet tot een medisch onderzoek maar komt met een voornemen. De nationaliteit, identiteit en afkomst worden wel geloofd, maar de verklaringen van betrokkene vindt de IND op onderdelen ‘tegenstrijdig, ongeloofwaardig en bevreemdingwekkend’.

In de zienswijze van de advocaat vraagt deze opnieuw aandacht voor de vele medische problemen en dan gaat de IND alsnog akkoord met het wachten op een medisch onderzoek hetgeen de advocaat bij iMMO aanvraagt.

In deze zaak is het opvallend dat, ondanks het feit dat de advocaat uitdrukkelijk en onderbouwd op verschillende momenten in de procedure om een medisch onderzoek vraagt, de IND daar niet op ingaat. Relevant is dan ook te bedenken hoe en op welk moment de IND een medisch onderzoek nodig acht. Hoe moet een niet medisch geschoolde ambtenaar die keuze maken? In deze casus waren gerapporteerde littekens en psychische klachten aan het begin van de procedure blijkbaar niet voldoende. Wat de reden is dat deze in een later stadium wel als relevant worden aangemerkt, is onbekend. Uiteindelijk vraagt de advocaat en niet de IND het medisch onderzoek aan, maar  wacht de IND wel op de uitslag alvorens een beschikking te slaan, hetgeen in overeenstemming is met artikel 18.2.

Casus 2 Waarom geen artikel 18 onderzoek?
Een jonge vrouw uit een Afrikaans land vraagt in Nederland asiel aan met het volgende verhaal. Zij woonde op het platteland. Zij is slechts 2 jaar naar school gegaan omdat zij daar gepest werd. Zowel zij als haar moeder werden gezien als ‘Buda’ ofwel ‘het boze oog’ en werden daarom getreiterd en als outcast behandeld. Moeder heeft om die reden op een gegeven moment zelfmoord gepleegd, vader heeft betrokkene nooit gekend. Betrokkene werd vervolgens door een tante opgevoed en op 17- jarige leeftijd uitgehuwelijkt aan een jongen die lid bleek te zijn van de oppositiepartij van het land. Om die reden werd betrokkene later door de militairen opgepakt en gevangen gezet. Zij was toen zwanger. Ze werd in detentie dagelijks mishandeld en verkracht en kreeg uiteindelijk een miskraam. Na 1 maand werd zij onder voorwaarden vrijgelaten. Betrokkene is al snel met behulp van een reisagent naar een ander Afrikaans land gevlucht waar zij vervolgens ruim een jaar als slaaf in een huishouden heeft gewerkt. Na die tijd is zij via Noord- Afrika met een bootje naar Italië gegaan en uiteindelijk in Nederland aangekomen. Onderweg is zij meerdere malen verkracht en heeft wederom een miskraam gehad.

In het Medisch Advies Horen en Beslissen van de FMMU (Forensisch Medische Maatschappij Utrecht) staat geschreven dat betrokkene emotioneel kan reageren wanneer het gaat om gebeurtenissen uit het verleden en dat er zo nodig pauzes moeten worden ingelast. Ook werden littekens in het gelaat waargenomen.

In het GC A-dossier staan al voor het eerste gehoor psychische klachten ten gevolge van lichamelijk en seksueel geweld in het verleden beschreven.

Ook de advocaat schrijft voorafgaand aan het eerste gehoor een brief aan de IND waarin deze spreekt over een getraumatiseerde vrouw en verzoekt om een vrouwelijke ambtenaar en  rekening te houden met klachten van betrokkene zoals herbelevingen, nachtmerries en moeite met concentreren. Deze aanwijzingen voor forse psychische problematiek worden door de advocaat ook vastgelegd in de iMMO-signaleringslijst.

Betrokkene wordt gehoord door een mannelijke tolk en ambtenaar, waarvan betrokkene op dat moment zegt dat dat niet uitmaakt. Tijdens het gehoor wordt zij regelmatig emotioneel en huilt als het gaat over de miskraam en haar werk als slaaf in het huishouden. Tijdens het nader gehoor huilt ze voortdurend. Bij de aanvullingen merkt de advocaat op dat betrokkene niet heeft durven vertellen over de herhaaldelijke verkrachting door mensen van de overheid in het bijzijn van de mannelijke tolk.

In het voornemen door de IND wordt het lidmaatschap van de oppositiepartij van haar echtgenoot niet geloofd en daarom de gestelde arrestatie en detentie ook niet. Ook kan zij niet aangeven of zij door 4 of 5 mannen is meegenomen en of de verklaring die zij moest ondertekenen getypt of geschreven was. In de zienswijze haakt de advocaat hierop in en stelt dat van getraumatiseerde mensen niet verwacht kan worden dat zij alle details nog kunnen reproduceren. Ook stelt de advocaat dat informatie over de aanhouding en de beschrijving van de gevangenis niet is meegewogen. Betrokkene wordt naar de verlengde procedure gestuurd.

Gezien de genoemde psychische problematiek in alle (medische) documentatie besluit iMMO een medisch onderzoek te verrichten. Het is spijtig dat de IND in deze zaak een forensisch medisch onderzoek volgens artikel 18 herziene EU-procedurerichtlijn (2013/32/EU) kennelijk niet relevant vond. iMMO is benieuwd wat de beweegredenen van de IND in deze zijn geweest.

 

Nieuwsbrief nr. 19, 10 december 2015

Casus Sri Lanka bij iMMO-Nieuwsbrief 19

In deze casus uit Sri Lanka betreft het een etnische Tamil, een jongeman van begin 20. Hij vertelt bij het iMMO-onderzoek het volgende relaas. Hij is als puber getuige van heftige gevechten die leidden tot het einde van de Tamilopstand. Vanwege de aanhoudende gevechten moet hij in zijn woonplaats met zijn familie langdurig in schuilkelders verblijven. Hij wordt dan gedwongen gerekruteerd door de Tamil Tigers en ondergaat een korte militaire training. Vanwege de chaotische toestand weet hij dit militaire trainingskamp te ontvluchten maar Sri Lankaanse militairen pakken hem op.

Die geloven zijn verhaal dat hij tegen zijn zin bij de Tamil Tijgers verbleef en daar was weggelopen. Nadat de Tamil Tijgers zijn verslagen, pakt hij zijn leven op en gaat na het behalen van zijn middelbare schooldiploma werken als administratieve kracht bij een bedrijf. Bij een demonstratie die uitmondt in rellen wordt hij opgepakt. Na het bekijken van zijn dossier verdenken de militairen hem ervan een Tamilactivist te zijn. Hij wordt in een militair kamp gevangen gezet en verhoord. Deze detentie duurt een paar maanden. Daarbij wordt hij regelmatig gemarteld waarbij hij meestal geblinddoekt is. Hij wordt ondersteboven opgehangen aan het plafond en over zijn hele lichaam geslagen met stokken en vuisten. Ook krijgt hij trappen met harde militaire schoenen. Hij wordt met een lang gloeiend heet voorwerp gebrand op diverse plekken op zijn lichaam. Vanwege de blinddoek kan hij niet zien wat voor voorwerp dit is. Hij voelt alleen de heftige pijn en het sissend geluid als dit hete voorwerp op zijn huid wordt gedrukt. Ook ruikt hij de geur van verbrand vlees. Zijn folteraars duwen een stok in zijn anus. Ook trekken zij hard aan zijn penis en testikels en stellen daarbij dat hij nooit meer seks kan hebben.
Na een aantal maanden komt hij plots vrij, naar later blijkt omdat zijn vader hem heeft vrijgekocht. Hij ontvlucht zijn land en vraagt in Nederland asiel aan. Op het moment van aankomst in Nederland heeft hij nog redelijk verse littekens van martelingen.

Voor de start van de asielaanvraag maakt de arts in het Medisch Advies Horen en Beslissen melding van littekens ten gevolge van mishandeling, waarvan sommige nog open wonden zijn. Dat betrokkene moeite heeft met het reproduceren van data en tijdstippen vermeldt de arts als medische beperking.
Tijdens de gehoren met de IND vertelt betrokkene bovenstaand relaas. Als hij de littekens wil laten zien zegt de IND-medewerker dat dit niet nodig is. Er gebeurt verder niets met de littekens, geen onderzoek, geen beoordeling.
In het voornemen en de beschikking stelt de IND dat het ongeloofwaardig is dat betrokkene zomaar zonder enige reden gearresteerd werd  terwijl hij niet politiek actief was of anderszins problemen had. Ten aanzien van de littekens zegt de IND dat deze niet zijn aangebracht onder de omstandigheden zoals gesteld in het relaas, nu de arrestatie niet wordt geloofd. Na de afwijzing van de asielaanvraag en in de aanloop naar de beroepszaak vraagt de advocaat of iMMO een forensisch medisch onderzoek wil verrichten.

Het iMMO-onderzoek levert duidelijk medisch steunbewijs voor de marteling in de vorm van typerende littekens van brandwonden op zijn rug. Ook de anale pijnklachten worden als passend geduid bij het relaas van anale verkrachting. Verder heeft hij een combinatie van een PTSS en een depressie die ook vanwege de inhoud en aard van de symptomen beoordeeld worden als typerend voor het martelrelaas. De medische bevindingen van iMMO in deze zaak corresponderen in hoge mate met de conclusies uit de in de nieuwsbrief beschreven rapporten van Freedom from Torture en de Human Rights Watch.

 

Nieuwsbrief nr. 18, 2 november 2015

Casuïstiek artikel 18 EU-Procedurerichtlijn

Sinds 20 juli 2015 is de herziene EU-Procedurerichtlijn geïmplementeerd in de Nederlandse wet- en regelgeving. Een belangrijk nieuw element betreft de mogelijkheid om in de asielprocedure een forensisch medisch onderzoek te laten verrichten als er medische restverschijnselen na ondergaan geweld zijn die in verband staan met de reden van de vlucht. Van belang hierbij is hoe de IND in eerste instantie oordeelt over de relevantie van een medisch onderzoek; vindt de IND een medisch onderzoek van toegevoegde waarde voor de beoordeling van het asielverzoek? Indien de IND een onderzoek niet relevant acht, is het aan de advocaat met zijn cliënt om af te wegen of men in het kader van artikel 18.2 toch een medisch onderzoek in wil brengen. Dat de praktijk lastig is en tot heel verschillende uitkomsten kan leiden, laat onderstaande casuïstiek zien.

Casus 1 – Artikel 18
Het gaat om een jongeman van 22 jaar uit een Afrikaans land. Hij is onderzocht in het kader van het Medisch Advies Horen en Beslissen dat door de FMMU (Forensisch Medische Maatschappij Utrecht) wordt afgenomen. In dit oriënterend medisch onderzoek wordt beoordeeld of er medische beperkingen zijn en in hoeverre deze iemand hinderen om tijdens de gehoren bij de IND goed zijn verhaal te kunnen doen. In het geval van deze man luidde het advies dat de IND rekening moest houden met emotionele reacties van betrokkene bij het vertellen van zijn asielverhaal. Dan moest gepauzeerd worden.

Zijn advocaat had nog voor het gehoor bij de IND de iMMO-Signaleringslijst Psychische Problemen (zie Signaleringslijst op website iMMO) doorgenomen met deze asielzoeker. Tijdens het invullen moest betrokkene veel huilen en hij was soms niet goed te volgen. Aan de hand van de vragen bleek dat hij somber was, slecht sliep, veel moest denken aan de martelingen die hij vertelde te hebben ondergaan, zich slecht kon concentreren en nog erg bang was. Ook noemde de advocaat dat hij littekens op zijn onderbenen had ten gevolge van de martelingen.
De advocaat had over deze zaak telefonisch contact gezocht met iMMO, dat adviseerde om zowel de uitkomst van het Medisch Advies Horen en Beslissen als de Signaleringslijst te gebruiken om aan te tonen dat een forensisch medisch onderzoek eventueel relevant kon zijn. De advocaat heeft dit op deze manier aangekaart bij de IND en daarbij gemeld dat zij met iMMO had overlegd en een aanvraag voor een forensisch medisch onderzoek bij iMMO overwoog.
Een paar dagen later, na het nader gehoor, kreeg de man een verblijfsvergunning asiel. Een medisch onderzoek was niet meer nodig omdat het asielrelaas met alle beschikbare informatie geloofwaardig werd bevonden. Hier is al in een vroeg stadium zowel door de advocaat als door de IND serieus gekeken naar medische klachten die mogelijk in verband staan met het asielverhaal. Een medisch onderzoek was niet eens nodig. Het is in het kader van de kwetsbare positie van het slachtoffer alleen maar goed dat hem zo’n onderzoek bespaard is gebleven.

Casus 2 – Artikel 18
Een asielzoeker uit een Aziatisch land vraagt asiel aan. Hij heeft dan vele (verse en grote) littekens op benen en rug. In het Medisch Advies Horen en Beslissen van de FMMU worden de littekens beschreven onder ‘overige klachten, zijnde geen beperking bij horen en beslissen’. In diezelfde alinea wordt ook gemeld dat betrokkene slaapproblemen heeft.
In het onderliggende medisch dossier van de FMMU onder het kopje psychiatrie staat geschreven dat betrokkene gemarteld is, angstig is en slecht slaapt. Ook tijdens een consult bij de huisarts van het GCA (Gezondheidscentrum Asielzoekers) worden de verse littekens beschreven.

In het nader gehoor bij de IND vertelt betrokkene dat hij als bijrijder op een vrachtwagen werkte. De vrachtwagenchauffeur wordt vermoord wegens vermeende betrokkenheid bij de oppositie. Betrokkene maakt daar melding van bij een mensenrechtenorganisatie. Daarna duikt hij onder en houdt zich enige tijd schuil. Hij wordt echter toch opgepakt en dan zwaar mishandeld. Betrokkene weet zich vrij te kopen via een corrupte bewaker en vlucht naar Nederland. Betrokkene vertelt over de mishandelingen tijdens het gehoor.

Betrokkene wordt naar de verlengde asielprocedure gezonden. In het voornemen enkele maanden later oordeelt de IND dat betrokkene met betrekking tot de arrestatie, detentie en zijn ontsnapping tegenstrijdig, ongerijmd en bevreemdingwekkend heeft verklaard. In de zienswijze voert de advocaat aan dat de IND op grond van artikel 18 van de herziene Procedurerichtlijn gehouden is nader onderzoek te verrichten naar littekens als deze worden aangevoerd als bewijs voor het relaas. In de beschikking antwoordt de IND: ‘Een medisch onderzoek naar aanwijzingen van vroegere vervolging of ernstige schade wordt niet relevant geacht nu de uitkomst van een medisch onderzoek redelijkerwijs niet kan leiden tot een andere uitkomst van het voorgenomen besluit. Immers, niet aannemelijk is geworden dat betrokkene gedetineerd is geweest en evenmin geloofwaardig is dat betrokkene in de negatieve belangstelling van de autoriteiten van zijn land staat. Het wordt niet bestreden dat betrokkene littekens heeft, maar een medisch onderzoek naar de littekens kan de tegenstrijdigheden op grond waarvan het relaas van betrokkene ongeloofwaardig is geacht, niet wegnemen.’

De advocaat vraagt vervolgens een onderzoek bij iMMO aan. Gezien de littekens en het relaas zegt iMMO toe een forensisch medisch onderzoek te verrichten. Het is echter een gemiste kans dat een medisch onderzoek in deze casus op voorhand niet relevant werd geacht. De IND had een artikel 18 lid 1-onderzoek kunnen toezeggen of kunnen wachten op de uitslag van een artikel 18 lid 2-onderzoek. Er is immers sprake van significante littekens – gedocumenteerd door medici bij zowel de FMMU als het GCA. De littekens kunnen een gevolg zijn van marteling of onmenselijke behandeling door de autoriteiten en een medisch onderzoek kan dan nieuw licht werpen op de kwestie van de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

 

Nieuwsbrief nr. 17, 26 juni 2015

Relevantie medisch onderzoek

Met de nieuwe Europese wetgeving kan de overheid van een EU-lidstaat per 20 juli 2015 een medisch onderzoek aanbieden aan een asielzoeker wanneer er medische restverschijnselen zijn van marteling of ander geweld. Maar hoe gaat men de relevantie bepalen? Het gebeurt nu regelmatig dat bij iMMO pas na afloop van de procedure, soms jaren later, een aanvraag voor een medisch onderzoek wordt gedaan terwijl er vanaf het begin van de procedure veel aanwijzingen waren. Een voorbeeld uit de recente praktijk.

Het betreft een vrouw uit een Aziatisch land, die asiel aanvraagt in Nederland. Zij vertelt het volgende asielrelaas. Haar man is wegens politieke activiteiten ondergedoken. De geheime dienst is naar hem op zoek en valt haar huis binnen. De mannen gooien een ketel kokend water over haar buik, verkrachten haar en drukken sigaretten uit op haar lichaam. Zij is dan vier maanden zwanger.

Zij vlucht meteen daarna het land uit en komt 10 dagen later in Nederland aan. Na enkele dagen meldt zij zich bij de huisarts van het GCA in het opvangcentrum. Zij maakt zich zorgen over het ongeboren kind en over mogelijke geslachtsziekten. Ook vraagt zij behandeling voor haar brandwonden. De huisarts constateert uitgebreide brandwonden en verstrekt haar zalf en verbandmiddelen. Zij wordt verwezen naar de gynaecoloog in het ziekenhuis die geen afwijkingen constateert en haar doorverwijst naar een verloskundige. Deze maakt in haar dossier een week later melding van het relaas van verkrachting en van een grote brandwond op haar buik. De vrouw vertelt over haar psychische problematiek; er zijn aanwijzingen voor posttraumatische problematiek. Ook de verpleegkundige van de FMMU heeft tijdens het onderzoek ten behoeve van het medisch advies, de brandwonden geconstateerd. Tijdens de correcties en aanvullingen op de asiel gehoren maakt de advocaat melding van de brandwonden en vraagt om een medische beoordeling. In het voornemen stelt de IND daarentegen dat een medisch onderzoek niet relevant is omdat dit niet zal leiden tot een ander oordeel. Het is niet duidelijk op welke wijze, onder welke omstandigheden en op welk tijdstip de brandwonden zijn toegebracht.

In de zienswijze dringt de advocaat opnieuw aan op een medisch onderzoek omdat de advocaat dit relevant acht voor de integrale asielbeoordeling. De advocaat overlegt medische stukken van het GCA en de verloskundige en kondigt aan bij iMMO een medisch onderzoek aan te vragen. De advocaat onderbouwt het belang van het medisch onderzoek verder met diverse rapporten van internationale organisaties die melding maken van de martelpraktijken in het betreffende land.

In de uiteindelijke beschikking schrijft de IND dat aan de littekens niet wordt getwijfeld, maar dat de informatie uit de diverse medische stukken niets zegt over de oorzaak van het ondergaan geweld. Ten aanzien van de waarde van een iMMO-onderzoek stelt de IND dat ‘iMMO nooit zal kunnen vaststellen onder welke omstandigheden littekens zijn toegebracht en wie de dader is geweest’.

iMMO verricht binnenkort medisch onderzoek bij deze vrouw en de rechtbank heeft in het kader van de beroepszaak gesteld op de iMMO-rapportage te zullen wachten.

De uitspraak van de IND over de irrelevantie van een medisch onderzoek is zorgelijk met het oog op de toekomstige plicht om medisch onderzoek aan te bieden naar de gevolgen van ondergaan geweld, indien dit relevant geacht wordt.

Indien de IND stelt dat iMMO nooit kan vaststellen onder welke omstandigheden littekens zijn ontstaan en door wie, dan moet gevreesd worden dat medisch onderzoek na 20 juli nauwelijks zal worden ingezet. Met deze argumentatie kan immers de betekenis van ieder litteken of ander medisch restverschijnsel terzijde worden geschoven. Het is zeker waar dat nooit met 100% zekerheid de gehele toedracht aan de hand van een medische beoordeling kan worden onderschreven. Niemand is er immers bij aanwezig geweest; dat probleem heeft ook de IND-ambtenaar die het asielrelaas moet beoordelen. Zowel de IND als de medicus moeten het doen met graden van aannemelijkheid en van 100% zekerheid zal niet vaak sprake zijn. De medicus stelt de graad van aannemelijkheid vast aan de hand van de causale relatie tussen de medische bevindingen en het gestelde geweldsrelaas. Dit is conform het Istanbul Protocol. Die graad van aannemelijkheid komt echter niet zonder meer tot stand. Daar ligt een secure werkwijze en professionele beoordeling van een arts en een psycholoog aan ten grondslag. Er vindt een uitgebreide anamnese, een fysiek en psychisch onderzoek en tenslotte nog een psychodiagnostisch onderzoek plaats. De uitkomsten van alle onderdelen worden zorgvuldig met elkaar vergeleken en met collega medici doorgesproken. Pas dan volgt een eindoordeel. Een dergelijk medisch oordeel kan in de asielbeoordeling een waardevolle aanvulling betekenen naast alle andere beschikbare informatie. Indien medisch steunbewijs door de IND terzijde wordt geschoven zoals in deze zaak dan diskwalificeert de IND bij voorbaat de toegevoegde waarde van een medisch onderzoek.

In deze casus moet het medisch onderzoek nog plaatsvinden. Inmiddels is ook kostbare tijd verstreken. De periode van de nog verse littekens van sigaretten en kokend water is immers voorbij. Een gemiste kans.

 

Nieuwsbrief nr. 16, 20 maart 2015

Casus 1 –  Langdurig slachtoffer van mensenhandel; erg laat onderkend

In 2004 vlucht een jongen op 15-jarige leeftijd met zijn oom vanuit een Aziatisch land naar Nederland. Ze vragen asiel aan. Tijdens de gehoren weet de jongen weinig te vertellen over de situatie in zijn geboorteland. Het was oorlog en zijn dorp en school werden vernietigd. Zijn moeder was al overleden toen hij een baby was en omdat zijn vader niet meer voor hem kon zorgen, had zijn oom hem als 10-jarige meegenomen; eerst naar een buurland en vervolgens naar Nederland. Bij verdere vragen verwijst de jongen naar zijn oom die als voogd optreedt. De asielprocedure duurt daarna bijna vier jaar en mondt uit in een afwijzing van de asielaanvraag. Een beroepszaak en een hoger beroep brachten daar geen verandering in. Maar dan, als de jongen 19 jaar oud is, vraagt hij opnieuw asiel aan.

Tijdens deze tweede asielaanvraag blijkt de oom verdwenen. De jongen vertelt nu een heel ander verhaal. De oom blijkt zijn oom helemaal niet te zijn. Het is de man aan wie zijn vader hem heeft meegegeven of verkocht. De jongen vertelt dat hij destijds daarna, samen met andere jongens, op een boerderij moest werken. Zij werden daar vaak mishandeld met stokken, een riem of met vuisten. Ook werd er kokend water op hen gegooid. En toen de oorlog dichterbij kwam, is hij door ‘zijn oom’ meegenomen naar het buurland. Vandaaruit zijn ze samen naar Europa gevlucht en moest hij van de man aan de IND vertellen dat hij met zijn ‘oom’ voor de oorlog was gevlucht. En omdat zijn ‘oom’ als voogd optrad, zat deze bij alle gehoren van de jongen. Tijdens het gehoor bij de nieuwe aanvraag vertelt betrokkene dat zijn zogenaamde oom hem in het AZC in Nederland bedreigde en hem ook hier als slaaf behandelde: hij mocht niet naar school, hij moest kranten bezorgen of zwart werken in tuinbouwbedrijven in de buurt. Al zijn verdiende geld ging naar zijn oom. De jongen durfde er niet over te spreken met mensen van het COA of de toeziend voogd van Nidos. En hij durfde zeker geen aangifte tegen de oom te doen want hij was erg bang voor hem.
In het voornemen tot afwijzing bij de tweede asielaanvraag vindt de IND dat hij over dit alles toch ook al in de allereerste asielprocedure iets had moeten zeggen, hoe summier ook. En dus wordt zijn onthulling niet als nieuw feit gezien, hetgeen nodig is om bij een herhaalde asielaanvraag enige kans van slagen te hebben. De advocaat stelt in zijn zienswijze dat het hier om kinderhandel en slavernij gaat. Maar de IND oordeelt in de beschikking dat de verklaringen van de jongen niet zo ernstig zijn dat hier sprake is van misbruik of slavernij. Beroep en hoger beroep brengen er ook ditmaal geen verandering in en zijn tweede asielaanvraag wordt opnieuw afgewezen.

Kort na deze afwijzing wordt de jongen ziek. Nu krijgt hij een tijdelijke verblijfsvergunning om een behandeling te ondergaan. In deze periode wordt hij toenemend depressief, hij slaapt slecht, hij heeft herbelevingen over mishandelingen, hij hoort stemmen en hij gaat zich suïcidaal uiten. Er wordt een mengbeeld van PTSS, depressie en psychose vastgesteld. Hij krijgt dagbehandeling bij de GGZ, antidepressiva en anti-psychotische medicatie. Na suïcide pogingen wordt hij een paar keer opgenomen in de GGZ. Vanwege zijn ernstige psychiatrische problematiek worden er nieuwe aanvragen voor artikel 64 (uitstel van vertrek vanwege een medische behandeling) ingediend die telkens door de IND worden afgewezen.
Tijdens de GGZ-behandeling wordt het verhaal van de mensenhandel steeds duidelijker. Het blijkt dat hij meteen bij aankomst in Nederland al door zijn ‘oom’ gedwongen werd tot prostitueren. En de ’oom’ misbruikte hem zelf ook nog regelmatig waarbij hij vaak gedwongen werd om alcohol of drugs te gebruiken.

Na veel aandringen en ondersteuning doet hij uiteindelijk aangifte van mensenhandel. Hij krijgt dan een tijdelijke verblijfsvergunning hangende het onderzoek. Vanwege onvoldoende aanknopingspunten wordt de zaak echter na een half jaar al weer gesloten. En dat betekent automatisch dat de jongen niet wordt erkend als slachtoffer van mensenhandel. Kort daarop trekt de IND de tijdelijke verblijfsvergunning dan ook weer in. De advocaat maakt daartegen bezwaar en vraagt een onderzoek bij iMMO aan. Met een iMMO-onderzoek hoopt zijn advocaat aannemelijk te kunnen maken dat de jongen wel degelijk slachtoffer was van slavernij en mensenhandel. De advocaat meldt veel fysieke en psychiatrische restverschijnselen naar aanleiding van de uiteenlopende mishandelingen en vernederingen.

Tijdens het iMMO-onderzoek vertelt betrokkene uitgebreid over de mishandelingen die hij op 10-jarige leeftijd als dwangarbeider moest ondergaan. Ook spreekt hij over een gewelddadige verkrachting. Er zijn littekens die causaal worden gerelateerd aan het geweldsrelaas in zijn land van herkomst. Hij vertelt ook in detail over de seksuele exploitatie door de ‘oom’ nadat hij in Nederland aankwam. Hij was niet bij machte zich daartegen te verzetten. De jongen heeft lichamelijke klachten die passen bij dit misbruik zoals obstipatie, pijnlijke ontlasting en buikklachten. Hij is angstig, durft niet naar buiten en kan zich niet meer ontspannen met andere mensen. Hij heeft vaak nachtmerries over zijn ervaringen zowel in land van herkomst als in Nederland. Daarom slaapt hij met het licht en de TV aan, zodat hij zich sneller na wakker schrikken realiseert waar hij is. De GGZ-behandeling helpt hem een beetje en met behulp van medicatie kan hij iets beter slapen.
In de iMMO-rapportage worden naast de littekens ook de vele psychische klachten beoordeeld. De causale relatie tussen deze klachten en zijn relaas worden als zeer sterk beoordeeld. De iMMO deskundige komt tot dezelfde conclusie als de behandelsector. Hij heeft een PTSS ontwikkeld.
Verder worden in de gehoren uit de eerste asielaanvraag veel aanwijzingen gevonden voor psychische problematiek en de angst om zijn echte verhaal te vertellen. Zo zegt hij vaak bang te zijn, hij huilt veel en verwijst bij alle vragen naar zijn ‘oom’. Met deze aanwijzingen en het feit dat hij toen pas 15 jaar was, oordeelt de iMMO-rapporteur dat hij in die periode psychische problematiek had die het goed kunnen vertellen over wat er aan de hand was in de weg stond.

De advocaat voegt de iMMO-rapportage bij het bezwaar. Al vrij snel daarna krijgt betrokkene een verblijfsvergunning voortgezet verblijf na mensenhandel. De iMMO-rapportage is daarbij belangrijk geweest, omdat daarmee ondersteunend bewijs is ingebracht voor zijn slachtofferschap als gevolg van mensenhandel. Dat dit pas ruim 10 jaar na aankomst van de jongen in Nederland gebeurt, is uiteraard ernstig. De omstandigheden maken het niet makkelijk maar juist bij minderjarigen moeten alle betrokken partijen extra alert blijven op signalen van mogelijk misbruik. En die waren in dit geval in overvloed aanwezig. Eerder onderkennen had bij het slachtoffer wellicht de ernstige gezondheidsverslechtering kunnen voorkomen.


Casus 2 – Slachtoffer van mensenhandel in Nederland

Een advocaat doet een beroep op iMMO met de vraag of iMMO een forensisch-medisch onderzoek kan doen in een mensenhandel zaak. Het betreft een jongen uit West-Afrika die op 13-jarige leeftijd naar Nederland vluchtte. Zijn asielrelaas werd niet gevolgd maar vanwege zijn leeftijd mocht hij wel, tot hij 18 jaar zou worden, in Nederland verblijven.

De jongen heeft tot zijn 18e in een opvangcentrum gewoond. Toen verloor hij zijn recht op opvang en stopte zijn leefgeld. Betrokkene kwam als illegaal op straat te staan. Nadat hij een tijdje bij vrienden had gelogeerd maar daar weer weg moest, bood een blanke man die hij ontmoet had in een park, hem onderdak aan. Al snel bleek dat er van goede bedoelingen geen sprake was. De man sloot de jongen op en misbruikte hem frequent. Wanneer betrokkene niet meewerkte, werd de man agressief. Hij schreeuwde en sloeg hem en ook heeft de man enkele malen sigarettenpeuken op het lichaam van de jongen uitgedrukt. Regelmatig kreeg hij een drankje te drinken waar betrokkene draaierig van werd. Ook andere mannen kwamen langs om hem te misbruiken. De jongen durfde zich niet echt te verzetten. De man was groot en sterk en bovendien vertelde hij dat zijn broer bij de politie werkte. Aangezien betrokkene illegaal in Nederland verbleef, was hij erg bang dat hij aan deze broer zou worden verraden. Uiteindelijk heeft de jongen ongeveer drie jaar op hetzelfde adres vastgezeten voordat hij wist te ontsnappen.

Omdat betrokkene bang was als illegaal te worden opgepakt, durfde hij lange tijd geen aangifte bij de politie te doen. Uiteindelijk heeft hij dat met behulp van het maatschappelijk werk gedaan. Tijdens zijn gevangenschap heeft hij ook de generaal pardonregeling gemist. Daarvoor was hij waarschijnlijk in aanmerking gekomen.

De vraagstellingen die iMMO hanteert in de onderzoeken in een asielprocedure kunnen vrijwel gelijk blijven in het kader van bovengenoemd onderzoek, aangezien ook hier sprake is van iemand die melding maakt van mishandeling en inhumane behandeling. Ook hier moet de vraag beantwoord worden of en zo ja hoe aannemelijk het is dat de psychische klachten zijn voortgekomen uit het gestelde geweldsrelaas als slachtoffer van mensenhandel. De vraagstelling kan op een vergelijkbare manier worden beantwoord met gebruikmaking van de 5-puntsschaal uit het Istanbul Protocol (par. 187). Ook de iMMO-vraagstelling, of er aanwijzingen zijn voor psychische beperkingen die interfereren met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren, is hierop van toepassing.


 

Nieuwsbrief nr. 15, 10 december 2014

Casus 1 – iMMO-onderzoek nodig bij een 15-jarig meisje uit Afrika?

Een advocaat vraagt een iMMO-onderzoek aan voor een 15-jarig meisje dat alleen naar Nederland is gevlucht. Uit de aanvraag blijkt dat het hier gaat om een minderjarige bij wie MediFirst tot tweemaal toe aangaf dat betrokkene niet gehoord kon worden vanwege heftige psychische problematiek. Bij de derde keer constateert MediFirst dat het meisje nu weliswaar gehoord kan worden maar dat er nog wel beperkingen voor het horen en beslissen zijn. Op het moment dat de IND met de gehoren start, is het meisje al aangemeld bij een psychotraumacentrum in verband met PTSS.

Tijdens de asielaanvraag vertelt ze dat haar gezinsleden zijn opgepakt en dat zij bij een inval in huis door mannen is verkracht. Haar asielaanvraag wordt afgewezen omdat het meisje te weinig kan vertellen over het werk van haar vader en zij onvoldoende moeite heeft gedaan om te achterhalen waar haar familieleden zijn gebleven. Daarmee mist haar verhaal voldoende overtuigingskracht en dat maakt ook haar verkrachting niet geloofwaardig. De advocaat tekent beroep aan tegen deze negatieve beslissing van de IND en vraagt aan iMMO om een onderzoek naar steunbewijs en psychische beperkingen op te starten.

De staf van iMMO bespreekt de zaak uitvoerig. Men schat in dat een iMMO-onderzoek extra belastend voor dit kwetsbare meisje is. iMMO besluit in dit geval om eerst een uitgebreide brief aan de advocaat te schrijven. Er wordt wel een onderzoek toegezegd maar iMMO refereert ook aan de bovengenoemde adviezen van MediFirst en de aanmelding bij het psychotraumacentrum. Verder merkt iMMO op dat het meisje in de korte asielprocedure gehoord is en haar wellicht in een verlengde procedure meer tijd gegund had moeten worden om haar verhaal te kunnen doen. Tenslotte is in de beschikking van de IND nergens terug te vinden dat er volgens de werkinstructie 2010/13 gehoord en besloten is.
iMMO hoopt op deze manier dat de IND opnieuw, met werkinstructie 2010/13 in het achterhoofd, naar deze zaak zal kijken.

Dit blijkt echter niet het geval. De IND wil niet op de uitslag van een iMMO-onderzoek wachten en de rechter verklaart het beroep ongegrond. (Zie voor de overwegingen van de rechtbank onder Jurisprudentie) De advocaat verzoekt iMMO vervolgens om het onderzoek toch uit te voeren zodat een herhaalde asielaanvraag kan worden opgestart. Het meisje woont inmiddels in een pleeggezin.

Het iMMO-onderzoek wordt door een GZ kinder- en jeugdpsycholoog verricht. Het meisje komt samen met haar pleegvader en voogd. Tijdens het onderzoek is de voogd op verzoek van het meisje aanwezig om haar te ondersteunen. Ze is erg emotioneel en na ruim anderhalf uur moet het gesprek beëindigd worden. Het meisje is dan uitgeput. Ze heeft heel veel moeite om over de traumatische gebeurtenissen te praten. Gevoelens van schaamte en schuld over het feit dat ze verkracht is, overspoelen haar. Er wordt een nieuwe afspraak gemaakt bij het pleeggezin thuis in de hoop dat zij zich dan meer op haar gemak zal voelen. Dit blijkt goed uit te pakken. Er is meer rust in het gesprek en het meisje kan haar emoties beter onder controle houden. Aangezien er ook littekens en fysieke klachten zijn, wordt tenslotte ook nog een derde afspraak met een arts gemaakt.

De aard en inhoud van de psychische klachten worden geduid als typerend voor het gestelde asielrelaas. De littekens die door de arts zijn onderzocht, worden als zeer consistent geduid; er zijn duidelijk aanwijzingen dat deze door de verkrachting zijn ontstaan. Een aantal fysieke klachten passen in het beeld van PTSS en worden als consistent met haar relaas beschreven. Zowel psychiatrische observaties als het psychodiagnostisch onderzoek bevestigen de bevindingen van MediFirst en de GGZ: er is sprake van psychische beperkingen die nu en ook tijdens de eerdere gehoren zeker geïnterfereerd hebben met het vermogen om een goed asielrelaas te vertellen.

De iMMO-rapportage wordt ingebracht in een herhaalde asielaanvraag, waarop de IND een nieuwe beschikking slaat en het meisje een verblijfsvergunning verleent. Voor iMMO is de vraag of deze herhaalde asielaanvraag noodzakelijk was. Het zou goed zijn om met alle betrokken partijen te beoordelen of in dit geval de betrokkene een iMMO-onderzoek bespaard had kunnen blijven. Dan had eventuele extra gezondheidsschade voorkomen kunnen worden. iMMO zal deze zaak graag inhoudelijk met de IND tijdens een casuïstiek bijeenkomst bespreken.


Casus 2 – Een ontvoerde en ernstig gemartelde jongen

Het gaat om een jongen van 16 jaar uit een land in het Midden-Oosten. Hij maakt deel uit van een gezin dat al eerder in Nederland verbleef met een tijdelijke verblijfsvergunning omdat het land van herkomst als te onveilig werd beschouwd. Toen de verblijfsvergunning niet werd verlengd vroeg het gezin opnieuw asiel aan. Dat werd geweigerd waarop de jongen met zijn ouders, broers en zussen vrijwillig is teruggekeerd met hulp van de IOM (Internationale Organisatie voor Migratie die helpt bij vrijwillige terugkeer).

Het verhaal dat de jongen bij zijn huidige asielaanvraag vertelt, luidt als volgt. Een half jaar na terugkeer in zijn land werd hij ontvoerd door gewapende milities. Er werden allerlei negatieve dingen over zijn vader gezegd. Hij werd geslagen en ondertussen belde één van de mannen met zijn vader om geld te eisen.
Daarna werd de jongen meegenomen naar een werkplaats en werden zijn armen strak vastgebonden aan een tafel. Zijn ontvoerders kwamen met een boor die zij eerst heet maakten door in de muur te boren om vervolgens met die hete boor door zijn onderarm te boren. Deze foltering werd vastgelegd op foto’s die naar zijn vader werden gestuurd. De dagen erna werd hij regelmatig geslagen en had hij veel pijn aan zijn onderarm. Na vijf dagen werd hij geblinddoekt uit een auto gezet. Hij werd herenigd met zijn familie. Het bleek dat zijn vader een flinke losprijs had betaald. Een bevriende arts heeft de wond tot twee maal toe moeten openen en schoonmaken omdat er een ontsteking was opgetreden. Ook is een röntgenfoto gemaakt, waaruit bleek dat er geen bot was geraakt. Omdat zijn vader vaker was bedreigd, is het gezin wederom gevlucht en belandde na enige tijd opnieuw in Nederland om asiel aan te vragen. De vader moest achterblijven omdat het geld voor zijn reis ontbrak.

In Nederland aangekomen belandt het gezin in detentie en daar wordt de jongen voor aanvang van de gehoren bij de IND medisch onderzocht door MediFirst. De jongen kan goed zijn verhaal doen in het Nederlands omdat hij tijdens zijn eerdere verblijf vier jaar op school heeft gezeten. Een arts constateert dat de jongen niet gehoord kan worden en eerst behandeld moet worden. Zijn arm zit nog in het verband en de wond is nog steeds ontstoken en hij heeft veel psychische klachten (slecht slapen, traumatische nachtmerries).
Twee maanden later wordt hij opnieuw medisch onderzocht door een arts van MediFirst. De jongen is inmiddels geopereerd door een plastisch chirurg; de ontstoken wond is verholpen en een beschadigde zenuw is gehecht in de hoop op herstel. Omdat hij nog steeds psychische klachten heeft met veel angst, slecht slapen, nachtmerries en problemen met de concentratie adviseert de arts van MediFirst dat de jongen wel gehoord kan worden maar dat wel rekening moet worden gehouden met psychische beperkingen.

Hij kan zijn verhaal over de ontvoering en het ondergane geweld redelijk goed vertellen aan de IND-medewerker. Hij heeft ook de foto’s bij zich van het doorboren van zijn onderarm die bij zijn ouders waren afgeleverd Hij weet echter niet precies waarom zijn vader zoveel problemen heeft met die milities. Er waren al eerder bedreigingen geweest en dat was ook de reden om de eerste keer te vluchten.
In het voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag stelt de IND dat van het relaas van betrokkene geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Dit oordeel wordt gebaseerd op een aantal zaken: in de eerdere procedure vond men de bedreigingen tegen de vader al niet geloofwaardig; men acht de huidige ontvoering daarom ook niet geloofwaardig; bovendien kan de jongen weinig zeggen over de motieven van zijn ontvoerders en hij kan ook niet verklaren hoe de foto’s bij zijn ouders zijn gekomen. Tenslotte wordt hem verweten dat hij niet weet hoe vaak hij is geschopt en geslagen en hoe laat hij is vrijgelaten.

Zijn advocaat protesteert in zijn zienswijze tegen de niet geaccepteerde bewijzen (de zichtbare verwondingen en de foto’s) en de aannames van de IND over de dingen die de jongen zou moeten weten. De advocaat kondigt aan een aanvraag voor een medisch onderzoek bij iMMO te doen. De IND is bereid te wachten op de conclusies van het iMMO-onderzoek. Gezien de ernst van de verwondingen, de psychische klachten en de minderjarigheid van de jongen wordt het onderzoek versneld uitgevoerd door een arts en een psycholoog. Er blijkt sprake te zijn van littekens en restverschijnselen aan de arm die naadloos passen bij het relaas van de boorverwonding door de arm heen. Er zijn restverschijnselen in de vorm van een Complex Pijn Syndroom, zenuwuitval en functiestoornissen van de hand die passen bij zenuwbeschadigingen. Het geheel van littekens en restverschijnselen wordt medisch beoordeeld als kenmerkend voor het relaas dat de jongen verteld heeft. Dit is absoluut medisch bewijs waarbij een andere oorzaak wordt uitgesloten. Dit is iets wat iMMO niet vaak concludeert omdat littekens en restverschijnselen na marteling vaak toch minder specifiek zijn. Ook in psychische zin wordt de aard en inhoud van zijn psychische symptomen beoordeeld als zeer sterk causaal gerelateerd aan zijn verhaal. Verder bevestigen de uitslagen van de psychodiagnostische tests dat betrokkene zoveel last heeft van zijn psychische klachten dat hij moeite heeft om over sommige details van zijn verhaal goed te kunnen vertellen. Dezelfde conclusie had ook de arts van MediFirst al getrokken.

Vrij snel na het indienen krijgen de jongen en de andere leden van het gezin alsnog een verblijfsvergunning. Uit de IND-beschikking valt niet op te maken waarom het aanvankelijke oordeel van de IND om af te wijzen nu is gekanteld. Duidelijk is in elk geval dat het medisch bewijs voor het relaas zeer sterk was. Ook in deze zaak vraagt iMMO zich af of het onderzoek wellicht voorkomen had kunnen worden nu er reeds zoveel medisch (steun) bewijs aanwezig was.


 

Nieuwsbrief nr. 14, 9 oktober 2014

Bevreemdingwekkend – in de theorie

iMMO krijgt steeds opnieuw te maken met asielzoekers van wie het asielverzoek door de IND wordt afgewezen vanwege inconsistenties. Zij hebben op verschillende momenten andere details over het asielrelaas verteld. Bij de beoordeling van het asielrelaas maakt de IND dan gebruik van termen als ‘vaag, hiaten, ongerijmd en bevreemdingwekkend’. De vraag die dit soort zaken bij iMMO oproept, is of deze kwalificaties niet samenhangen met de psychische problematiek. Een terechte vraag, want er is in toenemende mate wetenschappelijke kennis beschikbaar waaruit blijkt dat traumatische ervaringen de werking van het geheugen en het vermogen om een coherent verhaal te vertellen, beïnvloeden.

Kort samengevat komt deze kennis op het volgende neer. Het is bekend dat traumatische ervaringen kunnen leiden tot het ontstaan van posttraumatische klachten en zelfs tot een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Ook is uit onderzoek gebleken dat traumatische ervaringen niet altijd goed worden herinnerd. Hierbij kan het zogenaamde tunnelgeheugen een rol spelen, waarbij het geheugen voor de centrale details van een bedreigende gebeurtenis goed is, maar voor de perifere details van het herinneringsbeeld slecht. Deze wetenschappelijk onderbouwde kennis betekent dat herinneringen over perifere details van traumatische ervaringen een slechte maat zijn voor een betrouwbaar verhaal. Het gaat dan bijvoorbeeld over ruimten, kleuren, data, tijdstippen, duur van verblijf, aantal aanwezigen of kledij van bewakers. Het niet kunnen noemen van deze details of daarover vaag verklaren kan dus terug te voeren zijn op psychische problematiek die de geheugenfunctie negatief beïnvloedt. Door dit simpelweg te duiden als ongeloofwaardig negeer je de bestaande wetenschappelijke kennis over de mogelijke oorzaak van dergelijke incoherentie.

Verder is ook bekend dat herhaald ondervragen vaak leidt tot meer details over de traumatische gebeurtenis, waardoor een ‘betere’ herinnering ontstaat. Dit leidt dan tot een completer asielrelaas maar automatisch ook tot inconsistenties. Dit simpelweg duiden als ongeloofwaardig staat op gespannen voet met wetenschappelijke kennis. Tenslotte is het belangrijk om ook de concentratieproblemen te noemen die een gevolg kunnen zijn van zowel een PTSS als een depressie. Hierdoor kan een asielzoeker tijdens zijn gehoor minder de aandacht richten en vasthouden, waardoor het lastiger kan zijn om herinneringen goed op te halen.

Veel overlevenden van geweld en marteling spreken liever niet over wat ze hebben meegemaakt. Zwijgen, wantrouwen, vermijding of ontkenning doen zich voor als mogelijke consequentie van de aantasting van de persoonlijke integriteit en waardigheid. Het ophalen van herinneringen activeert de pijn en pijnlijke gevoelens die tijdens geweld en mishandelingen werden ervaren. Erover zwijgen is dan ook (vaak onbewust) een veel gebruikte psychologische overlevingsstrategie. Dit wordt nog eens versterkt indien men een repressief regime is ontvlucht waar niemand te vertrouwen is en men alles van de overheid ten diepste wantrouwt. Zwijgen speelt ook een belangrijk rol indien schaamte domineert. Schaamte is een emotie die sterk is ingebed in een specifieke culturele context. In alle culturen is schaamte, in samenhang met eer, een factor in het sociale verkeer. In sommige culturen speelt dit zo sterk dat het de norm is om te zwijgen over moeilijke en emotionele zaken. Dat maakt het delen en vertellen over schier onbenoembare zaken letterlijk onmogelijk. Dit speelt vaak bij asielzoekers die seksueel geweld hebben ondergaan. Onderzoek bevestigt dat mannen en vrouwen grote moeite hebben met het vertellen over seksueel geweld en dat in veel gevallen niet of onvolledig doen in de asielgehoren. Dit is terug te voeren op schaamte, angst voor eerverlies en verstoting, en op vermijding als kernsymptoom van een PTSS. De asielzoeker zal er dan soms ook voor ‘kiezen’ om te zwijgen over ervaringen omdat hij zich dan veiliger voelt voor de eigen toekomst, in de familie of gemeenschap. Het komt regelmatig voor dat dit zwijgen pas veel later doorbroken wordt binnen de vertrouwensrelatie van een (medische) behandeling. Traumatisering tast immers het gevoel anderen te kunnen vertrouwen aan. Dan duurt het lang voordat er voldoende vertrouwen is opgebouwd om over emotionele zaken te kunnen spreken.

Al deze kennis staat aan de basis van de werkwijze van iMMO. Ook het medisch advies van MediFirst is gebaseerd op deze kennis over medische beperkingen relevant voor horen en beslissen. En wat wel en niet van een asielzoeker met psychische problemen verwacht kan worden. De IND-Werkinstructie 2010/13 komt mede voort uit deze kennis over psychische problematiek. In het iMMO-onderzoek en bij het opmaken van de rapportages wordt de wetenschappelijke kennis toegepast op de individuele asielzoeker. Dan blijkt ook dat er aan getraumatiseerde asielzoekers soms niet reële en bijna onmenselijke eisen worden gesteld ten aanzien van het vertellen van hun asielrelaas. iMMO pleit voortdurend voor het hanteren van goede aannames als het gaat over het kunnen vertellen over alle details van het asielrelaas. De IND en advocaten zijn in hun werkwijze geheel afhankelijk van het geheugen van de asielzoeker en zouden de bestaande kennis hierover meer moeten laten meewegen. Werkinstructie 2010/13 is hiervoor bedoeld en daar wordt in de ogen van iMMO te weinig naar gehandeld door zowel advocatuur, IND als rechters. Dit zou de kwaliteit van de asielbeoordeling ten goede komen.

Wetenschappelijke bronnen bij ‘Bevreemdingwekkend – in de theorie’

Bevreemdingwekkend – in de praktijk

Casus 1
iMMO heeft al een aantal keren mensen onderzocht die zeggen gemarteld te zijn omdat zij hun vader of moeder niet als vooraanstaand lid van één van de geheime genootschappen in West- Afrika wilden opvolgen. Zo ook het verhaal van een 26-jarige vrouw. Haar moeder was meisjesbesnijdster in een geheim Bondo genootschap. Ook andere vrouwelijke familieleden waren actief als meisjesbesnijdsters. Toen haar moeder overleed, werd betrokkene als oudste dochter geacht haar moeder op te volgen. Dat weigerde zij. Ze was getrouwd met een christen en had heel nare herinneringen aan haar eigen besnijdenis. Het gevolg van haar weigering was dat zij door haar eigen familieleden en leden van het genootschap werd ontvoerd en aan allerlei gewelddadige rituelen en mishandelingen werd onderworpen. Na vier dagen wist zij te ontsnappen. Toen bleek dat haar man vermoord was, is zij ondergedoken bij een bevriende familie die haar heeft helpen vluchten.

De IND wijst haar asielverzoek af vanwege tegenstrijdige, vage en bevreemdingwekkende verklaringen. In beroep én hoger beroep wordt deze afwijzing bevestigd. Zij belandt vervolgens uitgeprocedeerd op straat. Ze wordt verkracht door een man die haar hulp biedt waardoor zij zwanger raakt. Ze kan dan in een vrouwenopvanghuis terecht. Vanwege haar  angsten en sombere stemming komt zij in behandeling bij de GGZ. Uiteindelijk wordt zij bij iMMO aangemeld voor een onderzoek omdat zij ook littekens heeft van het ondergane geweld.

In de rapportage concludeert de iMMO-rapporteur dat haar littekens passen bij het ondergane geweld in de vorm van toegebrachte brandwonden. De inhoud van de psychische klachten grijpen terug op haar ontvoering en de gewelddadigheden die zij heeft ondergaan. Iedere keer ziet zij weer voor zich hoe haar brandwonden worden toegebracht en zij voelt ook de pijn ter plekke. Zij lijdt hier fors onder. Deze symptomen worden beoordeeld als typerend voor het relaas dat zij vertelde.

Op basis van de iMMO-rapportage doet de vrouw een herhaalde asielaanvraag. In de nieuwe beslissing van de IND wordt haar relaas nu wel geloofwaardig geacht. Dit komt door het medisch steunbewijs dat de iMMO-rapportage heeft geleverd. Toch krijgt zij een afwijzing. Zij wordt geacht zich in een ander deel van haar land veilig te kunnen vestigen. De IND beroept zich hierbij op het zogenaamde vestigingsalternatief dat in een ambtsbericht door het Ministerie van Buitenlandse Zaken werd opgesteld over het land van herkomst. Hierin staat staat dat vrouwen zich in stedelijke gebieden kunnen onttrekken aan besnijdenis en aan de controle door familie en geheime genootschappen. De rechtbank en de Raad van State bekrachtigen deze afwijzing.

Bovenstaande zaak is een voorbeeld waarbij een iMMO-rapportage uiteindelijk niet het verschil heeft kunnen maken Het vestigingsalternatief maakte dat de IND oordeelde dat zij in Nederland geen bescherming behoeft.

Casus 2
Het betreft een 21-jarige man uit een West-Afrikaans land die in 2011 asiel aanvroeg in Nederland. De man heeft 6 jaar lager onderwijs gehad en heeft daarna gewerkt als theeverkoper. Zijn asielrelaas was dat zijn ouders en broer op gruwelijke wijze met kapmessen voor zijn ogen waren gedood door gewapende en gemaskerde mannen van de eigen etnische stam. Zij waren hun huis binnengevallen in de hoop daar diamanten te vinden. Daarbij werd zijn vader voor verrader uitgemaakt omdat hij als diamanthandelaar samenwerkte met leden van een andere etnische groep. Zelf werd betrokkene geslagen, zodat hij een voortand verloor, en hij werd zo hardhandig vastgehouden dat hij nu nog pijn aan zijn schouder heeft. Het lukte hem in de chaos te ontsnappen en hij hield zich schuil bij een vriend van zijn vader. Het gebeurde in de tijd van presidentsverkiezingen die gepaard gingen met veel gewelddadige botsingen tussen groepen van rivaliserende stammen.

In het medisch advies voor de start van de asielprocedure worden geen medische beperkingen geconstateerd. Wel valt te lezen dat de man last heeft van piekeren en nachtmerries waarin zijn ouders worden vermoord. Ook tijdens het nader gehoor bij de IND vertelt de man dat hij steeds de beelden van de afslachting van zijn ouders en broer voor zich ziet. Zijn verhaal daarover gaat met heftige emoties gepaard. Daarna is gepauzeerd om hem wat tot rust te laten komen. Vervolgens worden hem veel vragen gesteld over zijn etnische kenmerken, over politieke ontwikkelingen in zijn land en over data. Als er opnieuw wordt gesproken over de kern van zijn asielrelaas, de overval en de dood van zijn ouders en broer, wordt betrokkene weer heftig emotioneel. De asielaanvraag wordt afgewezen omdat betrokkene vaag heeft verklaard over de data van de presidentsverkiezingen en over het werk van zijn vader als diamanthandelaar. Ook wordt hem verweten dat hij niet weet van welke etnische groep de overvallers waren. Een maand later wordt ook zijn beroepszaak bij de rechter afgewezen.

De man wordt kort hierna suïcidaal en gaat hallucineren waarbij hij de moordenaars van zijn ouders ziet die hem achtervolgen. De crisisdienst van de GGZ wordt ingeschakeld, hij krijgt medicatie en vervolggesprekken. Maar voordat de behandeling goed op gang is gekomen, verdwijnt hij uit het AZC. Korte tijd daarna duikt hij in de Randstad op. Hij belandt in een noodopvang voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Omdat de suïcidaliteit aanhoudt en hij steeds depressiever wordt, volgt opname in een psychiatrisch ziekenhuis. Daarna komt hij in behandeling bij de GGZ.

iMMO wordt gevraagd de man te onderzoeken vanwege de lichamelijke en psychische klachten die met zijn asielrelaas te maken kunnen hebben. Tijdens het onderzoek vertelt hij hetzelfde relaas als bij de IND. Wel verliest hij daarbij de realiteit uit het oog. Hij loopt door de kamer en wijst al pratend over zijn traumatische herinneringen op allerlei voorwerpen in de kamer. Hij maakt duidelijk een herbeleving door. Er worden schouderklachten geconstateerd die als consistent met het ondergane geweld worden geduid. De psychische problematiek wordt als typerend beoordeeld voor het relaas van de traumatische ervaringen. Dit laatste is hard steunbewijs voor het relaas.

Met de iMMO-rapportage wordt een herhaalde asielaanvraag gedaan. Omdat hij psychisch erg labiel is, adviseert MediFirst een aantal keren dat hij niet in staat is om gehoord te worden. Uiteindelijk heeft de IND zonder hem te horen en op basis van de eerdere gehoren en de iMMO-rapportage toch een beslissing genomen en de man een verblijfsvergunning toegekend. Het is goed om te zien dat de iMMO-rapportage de IND bij de nieuwe beslissing heeft kunnen helpen met een forensisch medische analyse van het doorstane geweld.


Nieuwsbrief nr. 13, 26 juni 2014

Casus – Overbodig iMMO-onderzoek?

Een minderjarig meisje van 16 jaar uit een Afrikaans land vraagt in Nederland asiel aan. Haar vader werd beschuldigd van medeplichtigheid aan een staatsgreep en is gevlucht. Daarop werd de rest van het gezin thuis belaagd door militairen. Het meisje werd geslagen en verkracht en moest aanschouwen hoe ook haar moeder werd verkracht. Haar broer werd doodgeschoten. In de chaos is het haar gelukt het huis te ontvluchten. Op een onderduikadres bij een kennis van de familie werd zij vervolgens door de man des huizes seksueel misbruikt totdat zijn vrouw hem daarbij betrapte. Daarop is het meisje overgedragen aan een andere man die haar het land uit smokkelde. //

In de eerste weken in Nederland wordt zij medisch onderzocht door MediFirst naar mogelijke medische beperkingen. Daarbij wordt geconstateerd dat zij blokkeert in het gesprek en niet verder kan praten. Zij heeft zoveel last van psychische klachten dat zij niet coherent en consistent kan vertellen over de traumatische gebeurtenissen. Zij wordt doorverwezen naar de huisarts van het Gezondheidscentrum Asielzoekers (GCA) om een behandeling voor haar psychische klachten op te starten. De asielprocedure wordt na dit medisch advies uitgesteld. Zes maanden later, zij is inmiddels 17 jaar, wordt zij opnieuw onderzocht door MediFirst. Zij is dan onder behandeling van de GGZ en gebruikt medicatie (slaapmedicatie en een antidepressief middel) voor het mengbeeld van een Posttraumatische Stress Stoornis (PTSS) en een vastgestelde depressie. Op basis van het onderzoek acht de arts van MediFirst adequate communicatie nog niet mogelijk en wordt de IND wederom geadviseerd haar niet te horen over haar asielaanvraag. Zelf zou het meisje graag haar verhaal willen vertellen.

Twee maanden later volgt een derde medisch advies van MediFirst. Het advies is nu dat zij wél gehoord kan worden maar dat beperkingen relevant voor het horen en beslissen zijn. Het gaat dan om emotionaliteit, plotseling stil vallen en niet meer reageren op aanspreken. Omdat betrokkene zelf denkt dat het gehoor haar zal lukken en zij daarvoor gemotiveerd is, wordt geadviseerd om haar wel te horen rekening houdend met deze beperkingen.

Bij het Nader Gehoor is dan de advocaat aanwezig. Als het gehoor komt bij het ondergane seksuele geweld blokkeert zij, huilt hard en wil rondlopen. De advocaat wil eigenlijk dat het gehoor wordt afgebroken. De IND-medewerker twijfelt ook over de haalbaarheid van het voortzetten van het gehoor. Maar het meisje wil zelf doorgaan. Met pauzes en veel emotionele momenten doet zij uiteindelijk haar verhaal. Het gehoor duurt bijna een hele dag.

De advocaat komt in de periode daarna op basis van enkele gesprekken met haar met aanvullende informatie. Ook krijgt de IND medische informatie van de behandelaar van het meisje over de psychische problematiek die duidelijk – zo wordt gesteld – te maken heeft met het ondergane seksuele geweld.

In het Voornemen tot afwijzing van haar asielaanvraag stelt de IND dat het meisje onvoldoende weet te vertellen over de activiteiten van haar vader. Wel zijn haar verklaringen in algemene zin in overeenstemming met wat bekend is over de coup die plaatsvond in haar land, maar op detailniveau is zij te vaag en te summier. Ook wordt haar verweten dat zij te weinig details weet over het uniform van haar vader. Haar relaas over de inval in hun huis en de verkrachting acht de IND niet geloofwaardig omdat dit soort repercussies niet zijn beschreven in het ambtsbericht gemaakt door de Nederlandse ambassade in het land van herkomst van het meisje. Ook de wijze van ontsnapping wordt niet geloofd.

In de zienswijze benadrukt de advocaat dat het meisje medische beperkingen heeft zodat zij haar haar verhaal niet goed kan vertellen. Hij beroept zich hierbij op de medische adviezen van Medifirst en op IND-werkinstructie 2010/13 die regelt hoe de IND moet handelen ingeval van medische beperkingen. De advocaat is verontwaardigd dat op geen enkele wijze in het voornemen rekening is gehouden met deze beperkingen. Want juist in deze werkinstructie staat beschreven dat vaagheden en tegenstrijdigheden niet mogen worden tegengeworpen indien sprake is van psychische problematiek die tot beperkingen leidt. De vaagheden moeten dan immers op het conto van de psychische problematiek worden geschreven en niet op een leugenachtig relaas. De advocaat vraagt een iMMO-onderzoek aan met de vraag of een causale relatie kan worden gelegd tussen haar psychische klachten en haar geweldsrelaas. En ook om de vraag te beantwoorden in hoeverre die beperkingen geïnterfereerd hebben met haar vermogen om compleet, coherent en consistent te kunnen verklaren over alle details van haar asielrelaas.

Eigenlijk een aanvraag die niet nodig zou moeten zijn. De psychische problematiek is uitgebreid beschreven door haar behandelaar. En de beperkingen zijn al vastgesteld door MediFirst. Duidelijker kan het niet: het meisje kan lange tijd niet gehoord worden en uiteindelijk dan toch maar doen. Het lijkt er echter op dat de IND vervolgens in het beoordelen van deze aanvraag consequent de eigen werkinstructie negeert door op geen enkele wijze te laten zien hoe haar verklaringen in het licht van haar medische beperkingen zijn gewogen. Dit brengt met zich mee dat iMMO onderzoek moet gaan doen naar zaken die al duidelijk zijn en waar de IND niet naar handelt. Omdat de advocaat hiervoor geen gehoor vindt bij de IND rest iMMO niets anders dan een onderzoek toezeggen. Op basis van de beschikbare medische informatie is de uitkomst van het onderzoek al te voorzien. Dat de IND dit niet onderkent, is te betreuren.

 

Casus – Onderzoek bij een oudere asielzoeker

Bij iMMO komt een verzoek binnen om onderzoek te doen bij een bijna 80-jarige man van Afrikaanse afkomst. Zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning is afgewezen door de IND. De man heeft tijdens de gehoren in de korte asielprocedure weinig verklaard over zijn woonomgeving en onduidelijke verklaringen afgelegd in een opvolgende procedure. De IND oordeelt dat zijn mentale toestand niet ten grondslag kan liggen aan zijn onduidelijke verklaringen, ondanks signalen uit de behandelsector van het tegendeel. Zijn advocaat doet een aanvraag voor een iMMO-onderzoek binnen een herhaalde asielprocedure. //

Uit het opgestuurde dossier blijkt dat ten tijde van de eerste procedure MediFirst al beperkingen aangaf: betrokkene heeft een laag begripsniveau en is analfabeet. Daarbij komt dat hij erg geëmotioneerd kan raken als hij vertelt over zijn familie. Bij het bespreken van het dossier tijdens het stafoverleg bij iMMO is een van de hypothesen dat er sprake zou kunnen zijn van een voortschrijdend dementerend beeld. In de periode dat mijnheer in Nederland is, lijkt zijn vergeetachtigheid en hulpbehoevendheid fors toegenomen. In het dossier van het GCA wordt vanaf  zijn aankomst in Nederland al melding gemaakt van klachten als vergeetachtigheid, duizeligheid en verdriet. In een brief van een GGZ-instelling uit 2012 wordt de diagnose PTSS gesteld en wordt tevens vermeld dat een andere oorzaak van de geheugenproblemen verder uitgezocht moet worden. Dit laatste is tot op heden niet gebeurd. iMMO besluit een medisch onderzoek te doen.

Mijnheer komt samen met een medebewoner van het AZC waar hij verblijft. Kennelijk heeft deze medebewoner de opdracht om ervoor te zorgen dat mijnheer op de juiste plek aankomt. Dit is niet vanzelfsprekend. Mijnheer blijkt ook in de omgeving van het AZC regelmatig te verdwalen en heeft zelfs in het gebouw moeite om zijn kamer te vinden. Het AZC heeft allerlei hulpmiddelen bedacht om hem te helpen bij het terugvinden van zijn kamer.

Tijdens het onderzoek blijkt al snel dat het moeilijk is om een goed gesprek met mijnheer te voeren. Hij begint zelf het gesprek en vertelt dat hij steeds meer vergeet. De artsen hebben hem verteld dat hij voor 75 % vergeetachtig is en dat dit ook niet meer goed gaat komen. Hij ervaart dat als een groot probleem. Overigens maakt mijnheer een opgewekte indruk. Hij lijkt van goede wil om mee te werken aan het onderzoek, al weet hij niet waar dit onderzoek voor dient. Hij springt bij het beantwoorden van de vragen van de hak op de tak. Hij weet niet welke dag of welke maand het is. Wel geeft hij aan dat de dagen weer lengen. Wanneer blijkt dat hij op de meeste vragen geen antwoord kan geven, lijkt hem dit verdriet te doen.

Als het gesprek komt op zijn reden van asiel zegt hij niet goed meer te weten wat er gebeurd is. Hij geeft aan blij te zijn dat hij dat allemaal al eerder aan de IND heeft verteld. Wel raakt hij zeer geëmotioneerd wanneer hij vertelt over de ruzies tussen de verschillende bevolkingsgroepen waarbij een dierbare van hem is omgekomen. Duidelijk wordt dat hij nare herinneringen heeft aan zijn land van herkomst. Ook vertelt hij zich te herinneren hoe hij in elkaar geslagen werd.

Het psychodiagnostisch onderzoek is aangepast aan de leeftijd en aan het vermoeden van cognitieve beperkingen. Een concentratietest uitvoeren blijkt voor hem onmogelijk. Daarnaast wordt een aangepaste versie van de MMSE, een test voor het onderkennen van dementie, bij hem afgenomen. Niet alle vragen waren mogelijk daar betrokkene kan lezen noch schrijven. Maar ook op de voor hem wel mogelijke opdrachten scoort hij ver onder de norm.

Duidelijk is dat deze oude man naast psychische klachten ook ernstige beperkingen heeft. Er lijkt wel degelijk sprake van een voortschrijdend dementieel proces. Het schrijnende daarvan is dat dit proces alleen maar zal toenemen en zal leiden tot nog meer tegenstrijdigheden en ongeloofwaardigheden in zijn verhaal. Aan de IND de moeilijke taak hoe dit zorgvuldig mee te wegen bij het nemen van een beslissing.


Nieuwsbrief nr. 12, 8 april 2014

Casus – Onderzoek op maat

In september 2013 ontvangt iMMO van een medewerker van een noodopvang een aanvraag voor een onderzoek bij een 45-jarige vrouw uit Centraal Afrika die sinds 2002 in Nederland verblijft. De medewerker geeft aan dat betrokkene verschillende littekens heeft die mogelijk te maken hebben met marteling en dat sprake is van veel psychiatrische problematiek. Voor de psychiatrische klachten is betrokkene in behandeling geweest. De behandeling is echter gestopt op het moment dat mevrouw niet meer verzekerd was. Daarop verergerden de klachten dusdanig dat mevrouw moest worden opgenomen in een psychiatrische instelling. //

Haar eerste asielaanvraag is afgewezen, evenals haar eerste herhaald asielverzoek omdat het asielrelaas van betrokkene door de IND niet geloofwaardig werd geacht en in de tweede aanvraag geen nieuwe feiten en omstandigheden werden ingebracht. De medewerker van de opvangorganisatie en haar advocaat menen dat er voldoende aanleiding is om te laten onderzoeken of de fysieke en psychische klachten het gevolg kunnen zijn van marteling. Zij dienen bij iMMO een aanvraag voor een medisch onderzoek in.

Op basis van het dossier lijkt er medisch gezien veel aan de hand te zijn en de staf van iMMO neigt tot het toezeggen van een onderzoek. Complicerende factor is dat betrokkene grote moeite heeft over de traumatische gebeurtenissen te praten. Ze raakt geïrriteerd wanneer naar de gebeurtenissen wordt gevraagd  en geeft aan dat ze er niet aan herinnerd wil worden. In een brief aan de advocaat geeft iMMO aan een onderzoek te willen doen mits betrokkene in staat is daar aan mee te werken en zich realiseert dat het noodzakelijk is om over de traumatische gebeurtenissen te praten om medische informatie te kunnen verzamelen.

Na overleg met mevrouw wordt gemeld dat mevrouw erg tegen het onderzoek opziet en bovendien nogal wantrouwend is. Ze stelt een kennismakingsgesprek met de onderzoeker van iMMO erg op prijs. Iemand van de opvangorganisatie zal daarbij aanwezig zijn. Vanuit het iMMO zal een arts de fysieke klachten en littekens en een psycholoog het psychiatrisch en psychodiagnostisch onderzoek verrichten. De psycholoog voert een kennismakingsgesprek met betrokkene. Dat verloopt goed waarna mevrouw instemt met het doen van onderzoek. Daartoe zullen de arts en de psycholoog op twee verschillende data naar de instelling gaan waar mevrouw is opgenomen. Tevens zal een vertrouwenspersoon van betrokkene bij het onderzoek aanwezig zijn. Met deze (uitzonderlijke) manier van werken hoopt iMMO bij te dragen aan een dusdanig veilige omgeving dat mevrouw in staat zal zijn om voldoende informatie te verstrekken over de geweldservaringen. Alleen dan kan iMMO een deskundig oordeel vellen over de mate van causaliteit tussen de klachten en het asielrelaas van betrokkene.

 

Casus – iMMO onderzoek noodzakelijk? 

Een 38-jarige vrouw uit het Midden-Oosten, verloskundige van beroep, heeft met twee kinderen in Nederland asiel aangevraagd. Haar man is met drie andere kinderen nog in land van herkomst. De vrouw verblijft met haar kinderen in een detentiecentrum.

Kort na aankomst in Nederland in 2013 wordt deze vrouw onderzocht door MediFirst die in het medisch advies horen en beslissen constateert dat zij gespannen en verdrietig is maar dat zij medisch gezien wel gehoord kan worden door de IND. Een week na dit medisch advies krijgt zij een miskraam, vlak voordat zij een eerste gehoor zou krijgen. Naar aanleiding hiervan wordt zij opnieuw onderzocht door MediFirst waar dan wordt geconstateerd dat zij veel bloedverlies heeft gehad door de miskraam en dat ze vaak duizelig is. MediFirst adviseert de IND om haar nog niet te horen. Zij vertrekt met haar  kinderen vanuit het detentiecentrum naar een AZC. //

Ruim een maand later komt de vrouw wederom bij MediFirst voor een medisch advies. Die constateert psychische problemen met concentratiestoornissen waardoor zij vragen niet goed kan beantwoorden. Dit betekent dat er een medische beperking is waar de IND rekening mee moet houden bij het horen

Tijdens het eerste gehoor is sprake van veel verwarring. Op veel vragen over haar reis heeft zij geen antwoord. De advocaat geeft veel correcties en aanvullingen op het eerste gehoor en benoemt daarbij de psychische problematiek als oorzaak voor de geheugenproblemen. In het nader gehoor vertelt zij haar relaas. Hoe zij als verloskundige veel vrouwen in haar woonplaats hielp en dat ze opkwam voor vrouwen die mishandeld werden door hun mannen. Zij had van een collega een boek gekregen dat zich afzette tegen de fundamentalistische islam. Toen een jongeman een boodschap van het dorpshoofd – een commandant – kwam brengen, zag hij dit boek en sprak haar daar boos op aan, hij duwde haar op de grond en betastte haar onzedelijk. Dit maakte haar zo boos dat zij ging schelden en gillen. De jongeman vluchtte weg. De vrouw ging naar haar buren om bij te komen. Even later kwam het dorpshoofd met een paar mannen terug en riep dat zij als afvallige vermoord moest worden. Zij kon met hulp van de buurvrouw vluchten en werd opgehaald door haar man die zij gebeld had. Een paar dagen later werd zij bij haar familie gezocht door mannen van het dorpshoofd. Toen besloot zij te vluchten.

In het voornemen en de beschikking wordt duidelijk dat de IND het verhaal van deze vrouw ongeloofwaardig acht en haar asielaanvraag wil afwijzen. Er wordt  onder andere gezegd dat het ongeloofwaardig is dat een gelovige jongeman haar onzedelijk zou hebben betast Er wordt niet duidelijk hoe de IND rekening heeft gehouden met de psychische beperkingen die MediFirst geconstateerd had.

Uit de beschikbare medische informatie blijkt dat haar psychische problematiek ernstig is en dat zij is verwezen naar de GGZ in verband met depressieve en posttraumatische klachten.

iMMO besluit tot een onderzoek naar deze klachten en de causale relatie met de psychische beperkingen. Met behulp van psycho-diagnostisch onderzoek zullen de al eerder geconstateerde beperkingen geobjectiveerd worden. iMMO besluit tot dit onderzoek omdat de reeds door MediFirst geconstateerde beperkingen in het geheel niet lijken te zijn meegewogen door de IND.  Maar het is eigenlijk zonde dat medici twee keer worden ingeschakeld in deze zaak. Over enige tijd wordt de iMMO-rapportage ingebracht  in de beroepszaak zodat de rechter zich zal uitspreken over deze zaak.

 

Vervolgcasus – Teruggestuurd en gemarteld

In nieuwsbrief nr. 8 van 26 april 2013 hebben wij een casus besproken van een Tamil die werd uitgezet naar Sri Lanka terwijl de rechtbank op de dag van uitzetting besloot dat hij in Nederland zijn asielprocedure mocht afwachten. Gezien het bijzondere verloop van deze procedure brengen we graag het vervolg van deze casus onder uw aandacht. //

Nieuwsbrief nr. 8 over deze casus
Betrokkene is een man uit Sri Lanka die al een aantal keren in Nederland asiel had aangevraagd, voor het eerst op 19-jarige leeftijd, omdat hij in zijn land verdacht werd van activiteiten voor de Tamil Tijgers. De IND vond het niet geloofwaardig dat betrokkene iets had te vrezen in zijn land en wees de aanvragen af. Op de dag dat de rechtbank zich uitsprak over de vraag of betrokkene zijn beroep in Nederland mocht afwachten, werd hij al uitgezet naar Sri Lanka. Daar aangekomen werd betrokkene echter verhoord, opgepakt en gemarteld door vermoedelijk de geheime dienst. Er werden gloeiend hete staven op zijn rug gelegd en hij werd met de dood bedreigd. Hij werd ervan beschuldigd een leidinggevende binnen de LTTE (Liberation Tigers of Tamil Eelam) te zijn en in Nederland anti-overheidsacties te hebben gevoerd. De advocaat in Nederland ontving via familie van betrokkene een medisch rapport van behandeling in het ziekenhuis met foto’s van de restverschijnselen van de martelingen die op dat moment nog heel vers waren. Op basis hiervan liet de IND in Sri Lanka door een vertrouwensarts onderzoek doen. Die concludeerde, zonder betrokkene zelf medisch te onderzoeken, dat sprake was van kneuzingen en schaafwonden maar de oorzaak zou onbekend zijn. Deze conclusie kwam terecht in een individueel ambtsbericht.

Terwijl betrokkene in Sri Lanka verbleef, liep de procedure in Nederland door en verklaarde de rechter het beroep van betrokkene gegrond. De rechtbank twijfelde o.a. aan de juistheid van het individuele ambtsbericht (waarin bijvoorbeeld gesproken werd over schaafwonden in plaats van ontvellingen). De rechter droeg de IND op om betrokkene terug naar Nederland te halen.

Nadat betrokkene weer in Nederland was, heeft zijn advocaat iMMO verzocht om de restverschijnselen van de verwondingen van cliënt zo snel mogelijk te onderzoeken; de martelingen hadden inmiddels meer dan zes maanden geleden plaats gevonden. iMMO zegde een volledig onderzoek toe.

Vervolg van deze casus 
Betrokkene wordt na terugkeer in Nederland door de IND gehoord over de gebeurtenissen in Sri Lanka. In overleg met de advocaat besluit iMMO eerst alleen de littekens te onderzoeken omdat psychiatrisch en psychodiagnostisch onderzoek te belastend blijkt voor betrokkene. iMMO concludeert dat de littekens typerend zijn. De advocaat verzoekt dan de IND om een onderzoek bij MediFirst. MediFirst stelt beperkingen bij horen en beslissen vast (o.a. psychische klachten, hoofdpijnklachten, pijn op borst en hartkloppingen) en noteert de aanwezigheid van littekens. Betrokkene wordt aanvullend gehoord. De IND vraagt intussen het Nederlands Forensisch Instituut een contra-expertise te verrichten naar de littekens. Het onderzoek door het NFI vindt vlak daarna plaats.

In de uiteindelijke beschikking stelt de IND vast dat de bevindingen in de iMMO-rapportage overeen komen met de bevindingen van het Nederlands Forensisch Instituut en dat deze een sterke aanwijzing geven dat de bij de vreemdeling aanwezige littekens zijn veroorzaakt door de gestelde marteling. Ook meldt de IND dat betrokkene weliswaar op punten vage en soms inconsistente verklaringen heeft afgelegd maar dat die vaagheden en inconsistenties onvoldoende zijn om de bevindingen van iMMO en het NFI te weerspreken.

De IND wijst er in haar beschikking op dat zij bij het besluit dat vooraf ging aan de uitzetting geen onjuiste risico-inschatting heeft gemaakt. Aan de hand van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden en enkele uitspraken van het Europese Hof, werd betrokkenheid met de LTTE onvoldoende geacht voor het aannemen van een schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer. Helaas hebben IND noch het Europees Hof bij hun beoordeling onderzoeksrapportages betrokken uit 2012 en 2013 over detentie en marteling van terugkerende Tamils zoals van Freedom From Torture, Human Rights Watch en Tamils Against Genocide (TAG).


Nieuwsbrief nr. 11, 10 december 2013

Casus – Zwijgen over seksueel geweld

iMMO is benaderd om een onderzoek te doen bij een 33-jarige man uit een land in het Midden-Oosten. Het asielrelaas dat hij aan de IND heeft verteld, is het volgende.

Hij werkte bij de brandweer en werkte daar naar tevredenheid. Nadat hij woorden kreeg met een meerdere moest hij daar stoppen met werken en kreeg een baan aangeboden in de gevangenis. Daar werkend kreeg hij al snel door dat er mensen onschuldig werden vast gehouden en dat er op forse schaal gemarteld werd. Toen hij hierover melding maakte bij de directeur zei die hem dat hij zich er niet mee moest bemoeien en gewoon zijn werk moest doen. Omdat hij dit niet met zijn geweten kon verenigen, schreef hij over de gang van zaken een rapport naar de gouverneur. Enkele dagen later moest hij bij de directeur komen en werd hij in elkaar geslagen, bedreigd en twee dagen vastgezet.

Vervolg
Hij werd daarna vrijgelaten, maar hem werd gezegd dat hij mee moest werken of anders zou hij moeten sterven. Hierna is de man niet meer naar zijn werk gegaan en ondergedoken bij een broer. Een aantal weken later is hij daar gearresteerd en gevangen gezet. Hij werd gemarteld en  verhoord over met wie hij samenwerkte. Hij werd vastgebonden in pijnlijke houdingen, kreeg elektroshocks, werd met ijskoud water nat gespoten en er werd gedreigd giftige slangen in zijn cel los te laten. Uiteindelijk wist hij met hulp van een kennis die in de gevangenis werkte, te ontsnappen.

De IND stelt in het voornemen tot afwijzen van zijn asielaanvraag dat hij geen reisdocumenten heeft en dat zijn asielrelaas ongeloofwaardig wordt geacht. Er gaat van zijn feitenrelaas geen positieve overtuigingskracht uit. Zijn overplaatsing naar de gevangenis wordt niet geloofd. Ook het risico dat hij nam om misstanden hogerop aan te kaarten, vindt de IND ongeloofwaardig.

Omdat de man mogelijk psychische en lichamelijke restverschijnselen heeft van de ondergane martelingen vraagt de advocaat van de man om een iMMO-onderzoek. Nadat deze aanvraag is gehonoreerd, besluit de IND te wachten op de zienswijze en de iMMO-rapportage alvorens met de beschikking te komen.

Bij het iMMO-onderzoek kan de man in eerste instantie goed zijn verhaal vertellen dat overeenkomt met wat hij de IND heeft verteld. Hij heeft psychische klachten in de vorm van spanningsklachten, slapeloosheid, nachtmerries over de martelingen en hij kan maar niet vergeten wat hij heeft mee gemaakt. Lichamelijk heeft hij last van maagpijn, een zwaar gevoel op de borst, rugklachten, duizeligheid, buikklachten en obstipatie. Als deze laatste klachten met de man worden doorgesproken en nog eens expliciet wordt gevraagd naar de  martelvormen die hij onderging, reageert hij afstandelijk. Als de onderzoeker meldt dat dit soort klachten gezien worden bij mensen die anaal zijn verkracht, trekt de man wit weg, raakt hij hevig geëmotioneerd en maakt hij duidelijk dat hij hier niet over wil praten. Ondanks uitleg over het belang van een zo compleet mogelijk relaas hierover zegt de man hierover niet te kunnen en willen praten. Hij trilt en heeft zichtbaar moeite met ademhalen. Wel lukt het om over zijn anale klachten te spreken die hij had nadat hij ontsnapt was. Hij had toen pijnlijke ontlasting met veel bloed verlies. Daarom ging hij het ontlasten ook steeds meer uitstellen, hetgeen de huidige obstipatie verklaart.

In de opgemaakte rapportage legt de iMMO-rapporteur uit dat de fysieke klachten in hoge mate passen bij anale verkrachting, zeker als het gaat om een jonge man die voorheen geen anale klachten had. Ondanks dat betrokkene dit niet met eigen woorden heeft kunnen vertellen, was zijn heftige emotionele reactie overtuigend voor een causale relatie tussen de medische verschijnselen en de zeer waarschijnlijk anale marteling. Samen met de andere lichamelijke bevindingen en de psychische klachten, die naar aard en inhoud passen bij de ondergane martelingen, is daarmee sterk medisch steunbewijs geleverd. Het wachten is nu op de beoordeling van deze rapportage door de IND.

 


Nieuwsbrief nr. 10, 24 oktober 2013

Casus – Vrouwelijke gehoormedewerker geen garantie voor volledig verklaren

Een 31-jarige man uit een Afrikaans land die actief is in een politieke partij, belandt na een demonstatie in de gevangenis. Na zijn vrijlating wordt hij gezocht als de president bij een aanslag wordt gedood. In 2009 vraagt hij in Nederland asiel aan. Hij vertelt de IND in het nader gehoor over zijn activiteiten voor de partij, over de demonstratie die tot zijn aanhouding leidde en over het feit dat hij eerder al een paar keer kortdurend werd vastgehouden en weer vrijgelaten. Maar uiteindelijk wordt hij langdurig vastgehouden in een vanwege martelpraktijken beruchte gevangenis.

Vervolg
Bij de IND meldt de man alle martelingen die hij daar heeft ondergaan en dat hij na ruim zes maanden met 6 anderen plots wordt vrijgelaten. In het nader gehoor wordt er nauwelijks ingegaan op de martelingen die betrokkene noemt. Een maand later wordt hij echter aanvullend gehoord. Dan vertelt hij weer  iets over de martelingen. Maar hij haalt data door elkaar en noemt andere data dan in het nader gehoor. In het voornemen stelt de IND dat zijn politieke activiteiten geloofwaardig zijn, maar dat het niet geloofwaardig is dat hij heeft te vrezen in zijn land; hij is immers twee keer vrijgelaten na korte detenties. De IND ziet evenmin positieve overtuigingskracht in het feit dat hij in detentie is gemarteld. In de IND-beschikking wordt het voornemen bevestigd. En in de beroepszaak eind 2010, volgt de rechter de IND in haar redenering en verklaart het beroep ongegrond.

In 2011 doet de man een herhaald asielverzoek. Dit naar aanleiding van nu pas binnengekomen arrestatiebevelen uit 2008 en 2009. Hij is inmiddels psychisch ziek en hij drinkt alcohol, waardoor zijn lever verstoord is. Deze tweede asielaanvraag wordt in een week tijd afgewezen omdat de documenten uit zijn land niet origineel zijn en in de eerdere aanvraag ingebracht hadden moeten worden.

Medisch gezien is er informatie over alcoholmisbruik op het AZC, somberheid en een doodswens  waarvoor zelfs de GGZ crisisdienst een keer heeft moeten komen. Nadat hij uit het AZC op straat wordt gezet komt hij in een opvang voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Vandaaruit wordt hij weer aangemeld bij een GGZ instelling. Die constateren dat hij ernstig is gemarteld, veel littekens heeft en dat er sprake is van een mengbeeld van een PTSS en een depressie. Op basis van deze informatie doet de advocaat een aanvraag bij het iMMO voor een onderzoek. Vanwege het relaas, de aanwezige littekens en psychiatrische problematiek besluit het iMMO in 2012 een onderzoek te doen. De man zit dan inmiddels in vreemdelingendetentie. Hij werd namelijk opgepakt door de politie toen hij aangifte wilde doen van drugsdealers die hem lastig vielen. Het iMMO-onderzoek vindt in het detentiecentrum plaats.

Tijdens het iMMO-onderzoek vertelt betrokkene gedetailleerd zijn verhaal dat grotendeels overeenkomt met wat hij in 2009 aan de IND vertelde. Hij vertelt over slagen met de hand en met rubberen stokken, op verschillende lichaamsdelen (zoals op de voetzolen). Ook wordt hij met een mes gesneden, gestoken met een pen, krijgt hij elektrische schokken op de geslachtdelen en tepels, wordt hij geslagen op zijn testikels en worden brandwonden toegebracht. Er wordt gedreigd met injecties van chemicaliën. Ook werd hij gedwongen tot seksuele handelingen bij zijn folteraars en werd hij anaal verkracht.

Bij het lichamelijk onderzoek worden diverse littekens en somatische restverschijnselen gevonden, beschreven en gefotografeerd die geduid worden als zijnde ‘consistent’, ‘zeer consistent’ of ‘typerend’ voor de genoemde martelingen. De psychische klachten die passen binnen de psychiatrische ziektebeelden PTSS en depressie zijn vanwege de specifieke inhoud van de herbelevingen conform de gradaties van het Istanbul Protocol ‘typerend’ voor de beschreven ervaringen. Verder concludeert de iMMO-rapporteur dat betrokkene vanwege zijn psychische problematiek zijn verhaal niet compleet, coherent en consistent kan vertellen. Dit speelde hem zeer waarschijnlijk ook al in de eerste procedure parten want tijdens het aanvullend nader gehoor in 2008, maakt hij al melding van psychische klachten en kort daarna krijgt hij van de huisarts op het AZC antidepressiva. Daarnaast speelde zeker ook schaamte voor de seksuele martelingen een rol, mede omdat hij door een vrouwelijke IND-medewerker en een vrouwelijke tolk werd gehoord.

Met de iMMO-rapportage wordt een derde asielaanvraag gestart. Betrokkene wordt nu medisch onderzocht door MediFirst. Hij wordt niet in staat geacht gehoord te worden vanwege zijn psychische toestand. Een paar maanden later lukt dit wel maar moet de IND rekening houden met de geconstateerde beperkingen. In het gehoor bij de IND vertelt hij opnieuw zijn relaas, maar toch ook weer met enige discrepanties ten aanzien van wat hij bij het iMMO vertelde (hij vertelde bijvoorbeeld  verschillend over het aantal verkrachtingen en wat daarbij precies was gebeurd). In het daarop volgende voornemen, het is dan al zomer 2013, wil de IND zijn aanvraag weer afwijzen. Daarbij spelen de inconsistenties een belangrijke rol. Alsmede het feit dat betrokkene zelf bij de eerste asielprocedure had gevraagd om een vrouwelijke hoormedewerker en tolk, hetgeen niet bij het iMMO bekend was. De IND was van oordeel dat aangezien daar rekening mee gehouden was, betrokkene alles in de eerste procedure had moeten vertellen.

Op vragen van de advocaat geeft het iMMO een toelichting op de rapportage in het licht van het voornemen. De vraag om een vrouwelijke gehoormedewerker en tolk is goed te plaatsen bij de afkeer van betrokkene van mannen na zijn seksueel geweldservaringen. Dit is echter geen enkele garantie dat hij tegenover vrouwen wel alles zal kunnen vertellen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat over seksueel geweld vaak incompleet wordt verteld in asielgehoren. Ten aanzien van de inconsistenties tussen hetgeen hij het iMMO en de IND vertelde, is uitgelegd dat dit past bij de geconstateerde psychische problematiek en de daaraan gekoppelde beperkingen om goed zijn verhaal te kunnen doen. En bovendien leert onderzoek dat juist herhaald bevragen, tot meer herinneren en een completer relaas leidt. Dit duiden als ongeloofwaardig is strijdig met wat bekend is over het geheugen bij getraumatiseerden. Verder wijst het iMMO in haar reactie op het feit dat de IND het aanwezige sterke medisch steunbewijs (zowel lichamelijk als psychisch) negeert en daarmee geen recht doet aan de iMMO-rapportage als aanvullende informatie.

Kort daarna geeft de IND een beschikking af en krijgt betrokkene een verblijfsvergunning onder art 29c (traumatabeleid). Daarin is niet te zien in hoeverre de IND de iMMO-rapportage heeft meegewogen, maar volgens de advocaat is dit evident.

 

Casus – Verklaring ernstige marteling eerst volledig na iMMO-onderzoek

Een advocaat stuurt een aanvraag naar iMMO met het verzoek voor onderzoek van een jonge man uit een Aziatisch land die in zijn asielprocedure een voornemen tot afwijzing heeft ontvangen. De man is ernstig mishandeld geweest waarvan duidelijk letsel is te zien en waaraan hij niet-aangeboren hersenletsel heeft overgehouden. Daarnaast is hij ernstig psychisch getraumatiseerd en daarvoor in behandeling bij de GGZ. De advocaat vraagt iMMO te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, er aanwijzingen zijn voor steunbewijs tussen het opgelopen letsel en het door betrokkene gestelde relaas. De man blijkt tevens zeer slecht over bepaalde gebeurtenissen te kunnen vertellen. Ook gedurende zijn GGZ-behandeling.

Vervolg
iMMO wordt verzocht te onderzoeken of er mogelijk sprake was van beperkingen om consistent, coherent en compleet te kunnen verklaren ten tijde van de asielgehoren. Besloten wordt het onderzoek door zowel een arts (littekens, lichamelijk onderzoek) als een psycholoog (psychiatrisch onderzoek en psychodiagnostisch onderzoek) te laten uitvoeren.

De man groeit op tegen een achtergrond van geweld in de stad waar hij woont. Hij komt uit een welgestelde familie die met enige regelmaat last heeft van de onrust in het land en bedreigd wordt. Temeer daar het familiebedrijf betrokken was bij de oppositie. Hij vertelt eerder bedreigd geweest te zijn en toen naar Nederland te zijn gevlucht. Tijdens zijn asielaanvraag kreeg hij echter van andere asielzoekers te horen dat hij geen schijn van kans zou maken. Hij is daarop, zonder de uitkomst af te wachten, teruggekeerd naar zijn land van herkomst.

Terug in zijn land wordt hij korte tijd later overvallen door gewapende mannen. Deze nemen hem mee naar een voor hem onbekende plaats, een soort opslagplaats, waar gereedschap ligt en een doodskist staat. Alle kleren worden hem van zijn lijf gerukt. Volgens zijn zeggen begonnen de mannen al hun krachten op hem uit te proberen. Hij wordt dusdanig geslagen en geschopt dat hij buiten bewustzijn raakt. Op het moment dat hij weer bij komt, blijkt hij in de gesloten doodskist te zijn gelegd.

Nadat hij in paniek geschreeuwd heeft om eruit te mogen, wordt hij opnieuw ernstig mishandeld. En dit wordt herhaald: hij wordt steeds zo ernstig mishandeld dat hij buiten bewustzijn raakt, wordt dan in de doodskist gelegd en als hij weer bijkomt begint het allemaal weer opnieuw. Er is geen aanklacht, de mannen geven enkel aan hem langzaam dood te zullen maken. Betrokkene zegt dat ze alles met hem hebben gedaan wat je maar kunt bedenken. Het laatste dat hij weet, is dat hij met een stuk ijzer hard op zijn hoofd werd geslagen. De daaropvolgende herinnering is wanneer hij bijkomt in het ziekenhuis. Er wordt hem verteld dat een voorbijganger hem voor dood op een vuilnisbelt heeft gevonden en die heeft hem naar het ziekenhuis gebracht.

De verwondingen aan zijn hoofd zijn zeer ernstig. Het lijkt alsof er met een boor gaten in zijn schedel zijn geboord. Hij geeft aan dat hij zich de oorzaak van de vele littekens op zijn voorhoofd niet kan herinneren, waarschijnlijk omdat hij toen in coma is geraakt. Hij geeft aan dat zijn geheugen erg veel gaten vertoont en dat hij slechts flarden van herinneringen heeft.

Tijdens het onderzoek oogt betrokkene zeer gespannen. Gedurende het hele onderzoek trilt hij met zijn been, kijkt  onrustig om zich heen en gaat steeds zachter praten. De onderzoeker heeft moeite hem in het hier en nu te houden wanneer het over zijn martelingen gaat. Een foto van zijn dochtertje op zijn telefoon brengt hem weer in de realiteit. Op de vraag of hij ook seksueel gemarteld is en/of verkracht, reageert hij uiterst ongemakkelijk. Hij zegt niets en kijkt weg. Dan zegt hij: “Ze hebben alles met me geprobeerd wat ze met me konden doen, wat mogelijk is. Verder wil ik er niets over zeggen”. Na aandringen van de onderzoeker om nog iets duidelijker te zijn, geeft hij aan hier nog nooit over te hebben gesproken en dat nu ook niet kan.

Een paar dagen later neemt hij contact met de onderzoeker op om te bevestigen dat hij seksueel gemarteld is. Tevens verzoekt hij dringend het niet in de rapportage te noemen omdat niemand het weet en hij zich er enorm voor schaamt. Bovendien zijn de beelden en de herinneringen die dit oproept bijna niet te verdragen. Ook zijn behandelaars in de GGZ zijn hier niet van op de hoogte. In het belang van zijn asielverzoek geeft betrokkene toestemming deze gegevens in algemene termen te benoemen in de rapportage. Zijn behandelaars mogen tevens op de hoogte worden gebracht.

De conclusies in de iMMO-rapportage zijn duidelijk. Zowel de littekens en de fysieke klachten als de aard en inhoud van de psychische klachten, worden als ‘typerend’ gezien voor de relatie met het asielrelaas van ernstige martelingen zoals door betrokkene geschetst.

Daarnaast is het ‘zeker’ dat er sprake is van psychische problematiek die nu en ten tijde van de asielgehoren moeten hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, consistent en coherent te verklaren over het asielrelaas. Niet alleen vanwege de psychiatrische klachten, maar ook door de langdurige coma na de mishandeling.

De IND had in het voornemen aangegeven dat betrokkene onvoldoende had meegewerkt aan de beoordeling van de asielprocedure. Betrokkene had van zijn terugreis van Nederland naar land van herkomst geen bewijs overlegd. Hij had ook geen enkel bewijs kunnen overleggen dat zijn verwondingen het gevolg van de martelingen zouden kunnen zijn. Men constateerde wel hoofdletsel maar vond niet dat was aangetoond dat dit met de gestelde gebeurtenissen verband hield.

Na inbreng van de iMMO-rapportage beoordeelt de IND nogmaals het dossier en besluit betrokkene een verblijfsvergunning toe te kennen. Wat de weging van het iMMO-rapport daarbij precies is, wordt niet duidelijk. Volgens de advocaat moet de iMMO-rapportage van doorslaggevende betekenis geweest zijn.



Nieuwsbrief nr. 9, 26 juni 2013

Casus – Afwijzing aanvraag iMMO-onderzoek

Regelmatig krijgt het iMMO aanvragen voor het doen van onderzoek bij asielzoekers die al zeer lang in Nederland zijn. Zij zijn verwikkeld (geweest) in diverse procedures en hebben bijvoorbeeld zowel op asiel- als op medische gronden één of meerdere aanvragen doorlopen. Vaak gaat het dan om schrijnende situaties waarbij er veel medische informatie is van behandelaren en het juridisch traject gestagneerd is. Het is voor het iMMO in een dergelijke casus niet makkelijk om te bepalen of het doen van een iMMO-onderzoek een zinvolle bijdrage kan leveren aan de asielprocedure. De volgende zaak is een goede illustratie hiervan.

Vervolg
Het betreft een man van 34 jaar uit een Oost-Europees land die in 2000 in Nederland asiel aanvroeg. De reden hiervoor was dat hij was mishandeld nadat hij dienst had geweigerd uit vrees te moeten vechten tegen opstandige landgenoten. Hij werd veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf maar mocht het beroep dat hij had aangespannen in vrijheid afwachten. Vervolgens werd hij voortdurend getreiterd en mishandeld en bij het indienen van aanklachten niet serieus genomen want de autoriteiten beschouwden hem als verrader. Meteen toen hij zijn beroepszaak verloor, is hij zijn land ontvlucht en heeft in Nederland asiel aangevraagd.

Na een eerste asielprocedure en een herhaalde asielaanvraag, raakt hij in 2007 definitief uitgeprocedeerd. Hierbij was vooral van doorslaggevende betekenis geweest dat de IND allerlei documenten als vals had beoordeeld en dat  het verhaal zoals betrokkene had geschetst, niet kon worden bevestigd door onderzoek ter plekke waardoor er een negatief ambtsbericht lag.

Deze man was al vanaf 2004 in behandeling bij de GGZ vanwege psychische klachten. Er was een chronische PTSS geconstateerd samen met depressieve symptomen. Hij had ook veel lichamelijke klachten waarnaar door diverse specialisten onderzoek was verricht maar er werden geen lichamelijke oorzaken gevonden. Betrokkene liet zich diverse malen wanhopig en suïcidaal uit en er waren een paar korte crisisopnames in de GGZ.

Op basis van dit alles doet hij samen met zijn advocaat in 2007 een medisch reguliere aanvraag voor een verblijfsvergunning. De beoordeling hiervan ligt medisch gezien bij het Bureau Medische Advisering (BMA) van de IND. BMA stelt een medisch advies op aan de hand van de opgevraagde medische informatie van zijn behandelaars. De medisch adviseur constateert dat er sprake is van ernstige chronische problematiek (mengbeeld van PTSS en Depressie), maar dat de behandeling niet persé in Nederland plaats hoeft te vinden omdat er in zijn land van herkomst ook behandelmogelijkheden zijn. De advocaat van de man procedeert een paar keer succesvol tegen de afwijzing van deze aanvraag met behulp van informatie van behandelaren die het oneens zijn met het advies van het BMA. In 2013, zeven jaar na zijn medisch reguliere aanvraag, is de definitieve afwijzing aanstaande als er een aanvraag voor een iMMO-onderzoek wordt gedaan. Daarbij is de vraag of het iMMO kan onderzoeken wat de causale relatie is tussen de medische problematiek en de gebeurtenissen die toentertijd (in 2000) tot zijn asielaanvraag hebben geleid.

Nadat de medische en juridische informatie is gewogen, besluit het iMMO dat een onderzoek in dit geval niet zinvol is en wel om de volgende redenen:

  • Allereerst zijn de juridische gegevens (niet echt bevonden documenten; een voor betrokkene niet gunstig ambtsbericht) zeer stevig. Daar kan een iMMO-rapportage niets in betekenen.
  • De paar littekens van de vóór 2000 ondergane mishandelingen, zullen zeer waarschijnlijk niet leiden tot een harde causale relatie tussen de littekens en het relaas over de mishandeling.
  • De medische informatie over de psychische problematiek begint pas enkele jaren nadat hij asiel heeft aangevraagd. De huidige problematiek is waarschijnlijk te verbinden aan een scala van oorzaken (traumatische ervaringen, afwijzing asielaanvraag, langdurig verblijf in AZC’s zonder daginvulling noch perspectief en angst voor terugkeer). Dit alles maakt het, samen met het lange tijdsverloop sinds zijn ervaringen in land van herkomst, bijna onmogelijk om gefundeerde uitspraken over de causale relatie tussen zijn huidige psychische toestand en traumatische ervaringen in een ver verleden te doen.

Kortom, een iMMO-rapportage kan in deze zaak op basis van juridische en medische zaken het verschil niet maken. Deze argumenten worden doorgesluisd aan de aanvragende advocaat, die dit aanvaardt.

Het is begrijpelijk dat het iMMO vragen krijgt over langlopende en schrijnende zaken in de hoop om met een iMMO-rapportage uit een juridische impasse te komen. Het iMMO zal dit soort aanvragen altijd zorgvuldig beoordelen maar niet schromen de negatieve uitkomst met de aanvrager te delen als een uitgebreid onderzoek in onze ogen geen waardevolle bijdrage kan betekenen in de juridische procedure. Dan is het niet zinvol medisch onderzoek in te zetten en kan dit beter achterwege blijven. Hoe hard dit soms ook is voor de betrokkenen die zich in een schrijnende situatie bevinden.

 

Nieuwsbrief nr. 8, 26 april 2013

Casus – Mishandeld en uitgeprocedeerd

Het iMMO wordt gevraagd onderzoek te doen bij een 25-jarige uitgeprocedeerde man uit een West-Afrikaans land die ernstige klachten van neurologische en psychiatrische aard vertoont.  Zijn advocaat vermoedt dat de klachten verband houden met de door cliënt beschreven martelingen en wil met een iMMO-rapportage een  herhaalde asielaanvraag indienen.

Het asielrelaas van de man is als volgt. Tijdens zijn adolescentie komt hij erachter dat hij homoseksueel is. Dit is een groot probleem omdat zijn vader een strenge moslim is en dit zeker zal afkeuren. Bovendien heerst er in zijn land een groot taboe  op homoseksualiteit.

Er ontstaan grote problemen als zijn vader hem betrapt terwijl hij met een vriend zit te zoenen. Zijn vader wordt razend, sleurt hem de straat op en roept de buurt bijeen om hem te mishandelen. Hij wordt ernstig aangepakt. Nadat hij een klap op zijn hoofd krijgt met een hard voorwerp raakt hij buiten bewustzijn.

Vervolg
Betrokkene weet weinig over wat er daarna gebeurt, alleen dat hij een tijd later bijkomt in een ziekenhuis waar hij aan zijn hoofd blijkt te zijn geopereerd. Ook heeft hij diverse verwondingen. Hij verblijft langdurig in het ziekenhuis om te revalideren. Hij heeft, zoals hij schetst, waarschijnlijk ook de eerste periode epileptische insulten. Ook verklaren verpleegkundigen achteraf dat ze dachten dat hij gek was geworden. Hij krijgt in het ziekenhuis opnieuw problemen wanneer iemand hem herkent en  als homo aanwijst. Vanaf dat moment krijgt hij ook in het ziekenhuis steeds minder verzorging en wordt hij steeds meer bedreigd. Het ziekenhuis is geen veilige plek meer en hij moet vluchten, ondanks zijn heftige hoofdpijnen en geheugenproblemen. Hij wordt opgevangen bij vrienden waar hij kan onderduiken. Met behulp van hen weet hij per boot te vluchten en zo komt hij in 2007 in Nederland terecht.

In de asielprocedure lukt het betrokkene goed de grote lijn van zijn verhaal te vertellen. Maar als er wordt doorgevraagd naar details en termijnen moet betrokkene het antwoord schuldig blijven. Hij beroept zich daarbij ook op geheugenproblemen. De IND acht de man zeer vaag en summier in zijn verklaringen over het ziekenhuis waar hij bijna twee jaar stelt te hebben gelegen. Hij kan geen namen noemen van artsen en geen informatie geven over het ziekenhuis. Ook kan hij geen antwoord geven op de vraag hoe hij in het ziekenhuis terecht is gekomen van een plaats die ruim 100 km verwijderd is van de plaats waar hij mishandeld werd en waar ook ziekenhuizen zijn. Daarnaast stelt de IND dat de man zijn vrees voor zijn vader, de buren, de mensen van het ziekenhuis en in het algemeen van de bevolking wegens zijn seksuele geaardheid niet aannemelijk heeft gemaakt. De IND gelooft niet dat betrokkene is mishandeld door zijn vader en buren en als gevolg daarvan in het ziekenhuis heeft gelegen. Nu niet is gebleken dat hij op de een of andere manier in negatieve aandacht heeft gestaan, acht de IND het niet geloofwaardig dat hij te vrezen heeft voor zijn leven wegens zijn geaardheid.

Zijn asielverzoek wordt afgewezen en in 2009 raakt hij uitgeprocedeerd. Ondertussen wordt hij behandeld bij een GGZ instelling, die een ernstige Posttraumatische Stress-stoornis (PTSS) constateren naast een slecht mentaal functioneren mede ten gevolge van een hersenoperatie en mogelijke hersenbeschadiging. Zijn advocaat start dan een procedure voor het aanvragen van een verblijfsvergunning vanwege zijn psychiatrische behandeling. Bij de beoordeling hiervan spelen de asielachtergronden geen rol, maar gaat het over de ernst van het ziektebeeld en de behandelmogelijkheden in het land van herkomst. Deze procedure loopt nog als de advocaat pleit voor een iMMO-onderzoek om in kaart te brengen wat de relatie is tussen zijn huidige ziektebeeld en zijn asielrelaas en of dit ziektebeeld hem bij zijn eerste asielaanvraag niet gehinderd heeft in het goed kunnen vertellen van alle details van zijn verhaal. Ook heeft hij een aantal littekens die samen zouden kunnen hangen met de mishandelingen die hij heeft ondergaan.

Gezien de ernst en de complexiteit van het ziektebeeld in combinatie met de mensrechtelijke aspecten, besluit het iMMO een onderzoek uit te voeren.

In de iMMO-rapportage komt o.a. het volgende te staan:

  • Betrokkene heeft een fors aantal littekens waarvan hij weet dat ze voortkomen uit de ondergane mishandeling, maar hij weet de toedracht niet meer. Andere littekens zijn consistent met hetgeen hij vertelt over hoe het is ontstaan.
  • Hij heeft een groot recht litteken over de hele breedte van de schedel dat niet anders dan van een schedeloperatie kan zijn en past dus in sterke mate bij zijn verhaal.
  • Betrokkene heeft alle symptomen van een PTSS, maar daarnaast ook tekenen van blijvende schade door hersenbeschadiging en/of een hersenkneuzing.
  • Uit de anamnese en de psychologische testen blijkt dat hij duidelijke cognitief beperkt is qua geheugen en concentratie. Uit de medische informatie ten tijde van zijn asielaanvraag, blijkt dat hij destijds vergelijkbare klachten had.

In de conclusie noemt de iMMO-rapporteur de causale relatie tussen de lichamelijke verschijnselen en zijn asielverhaal zeer consistent en die tussen de psychiatrische problematiek en zijn relaas eveneens zeer consistent. Dit betekent dat deze causale relatie als sterk wordt beoordeeld. En verder spreekt het rapport over dusdanig ernstige cognitieve beperkingen dat het zeker is dat betrokkene nu niet goed zijn asielverhaal kan vertellen. Op basis van de beschikbare medische informatie én omdat de hersenbeschadiging ook al aanwezig was bij zijn eerste asielaanvraag, kan het eigenlijk niet anders dan dat die beperkingen ook golden ten tijde van zijn asielaanvraag.

Met de iMMO-rapportage wordt een herhaalde asielaanvraag ingediend. Enige tijd later komt het bericht dat betrokkene een verblijfsvergunning asiel krijgt op de A-grond (op basis van het Vluchtelingenverdrag). De iMMO-rapportage wordt niet genoemd in de beschikking, dus het blijft helaas onduidelijk in hoeverre dat heeft bijgedragen aan het veranderde oordeel ten aanzien van de geloofwaardigheid van betrokkene.


Casus – Aanvraag iMMO-onderzoek bij een Dublinclaim

Een advocaat vraagt het iMMO onderzoek te doen bij een Iraanse man die volgens de advocaat psychische problemen heeft die onvoldoende werden meegewogen in zijn asielaanvraag. Complicerende factor is dat de man eerder asiel heeft aangevraagd in Oostenrijk en dus volgens de Dublinverordening zijn asielverzoek daar moet afhandelen Het was immers het eerste Europese land waar hij als asielzoeker binnenkwam en geregistreerd werd. Nederland verzoekt in dat geval aan Oostenrijk om deze Iraanse man terug te nemen en zijn asielverzoek in behandeling te nemen. Dit is de zogenaamde Dublinclaim. Als dit aan de orde is, verricht iMMO geen onderzoek omdat het asielverzoek niet in Nederland in behandeling wordt genomen en iemand vrijwel zeker teruggestuurd  wordt naar het eerste land van aankomst.

Vervolg
Uit de door de advocaat opgestuurde informatie, bleek dat de man stelde in zijn land ernstig te zijn gemarteld en dat hij bang was dat geheim agenten van zijn land hem in Oostenrijk wilden liquideren. Dit had hij ook verteld tegen de IND tijdens het gehoor. Maar dit gehoor ging feitelijk niet over zijn asielmotieven maar alleen over de vraag of hij niet naar Oostenrijk zou kunnen om daar zijn asielverzoek te laten behandelen. De advocaat vroeg het iMMO om hem psychiatrisch te beoordelen. De aanvraag van de advocaat is om bovengenoemde reden afgewezen. Een medisch onderzoek zoals het iMMO dat verricht, kan immers weinig  bijdragen aan een ander perspectief. De voorliggende vraag is namelijk of er redenen zijn waarom een ander Europees land  het asielverzoek niet zou kunnen afhandelen. Daarbij kan een iMMO-onderzoek naar medisch steunbewijs geen verschil maken en is bij dit probleem niet een geëigend middel. Kortom, als er een Dublinclaim op een asielaanvraag ligt, zal het iMMO in principe geen onderzoek doen.


Casus – Teruggestuurd en gemarteld  

Vervolg nieuwsbrief 24 oktober 2013
Het iMMO kreeg een aanvraag voor het doen van onderzoek bij een man uit Sri Lanka die een flink aantal jaar geleden asiel had aangevraagd in Nederland omdat hij in zijn land verdacht werd van activiteiten voor de Tamil Tijgers. Hij was bedreigd door een regeringsgezinde Tamil groepering. Deze asielaanvraag werd afgewezen omdat de IND het niet geloofwaardig vond dat betrokkene iets had te vrezen in zijn land. In de jaren daarna heeft hij nog een paar herhaalde asielaanvragen gedaan die telkenmale snel afgewezen werden. In 2001 kwam hij in vreemdelingendetentie. In 2012 verzocht hij nogmaals asiel, omdat hij op een Tamilwebsite vermeld werd met daarbij niet alleen zijn naam maar ook een foto tijdens een demonstratie in Europa. Ook waren er berichten over martelingen en verdwijningen bij naar Sri Lanka gerepatrieerde Tamils. Maar ook deze asielaanvraag werd afgewezen. Op de dag dat de rechtbank zich uitsprak over de vraag of betrokkene zijn beroep in Nederland  mocht  afwachten, werd hij al uitgezet naar Sri Lanka.

Vervolg
Daar aangekomen is betrokkene verhoord en opgepakt door vermoedelijk de geheime dienst. Een aantal dagen later krijgt de advocaat in Nederland bericht via een contactpersoon van de familie dat betrokkene wordt vastgehouden en gemarteld. Na een week wordt hij weer vrijgelaten en laat hij zich behandelen in een ziekenhuis. De advocaat ontvangt een kort medisch rapport en foto’s van de restverschijnselen van de martelingen die dan nog heel vers zijn. Op basis hiervan laat de IND onderzoek doen in Sri Lanka door een vertrouwensarts aldaar. Die concludeert, zonder overigens betrokkene zelf medisch te onderzoeken, dat er sprake is van kneuzingen en schaafwonden maar dat niet bekend is wat er de oorzaak van is.  Dit komt in het individuele ambtsbericht terecht en de vragen over de gestelde detentie en martelingen kunnen niet worden beantwoord.

In de beroepszaak verklaart de rechter het beroep gegrond en volgt de advocaat in zijn stelling dat er twijfel is over de juistheid van het ambtsbericht. Ook draagt de rechter de IND op om betrokkene terug naar Nederland te halen. Zowel de IND als betrokkene gaan in hoger beroep bij de Raad van State. Die gelast vijf weken later bij voorlopige voorziening dat betrokkene moet worden teruggehaald en dat er pas een nieuw besluit op zijn asielaanvraag hoeft te worden gegeven nadat op het hoger beroep is beslist.

Inmiddels  is betrokkene weer in Nederland. iMMO is verzocht om de restverschijnselen van zijn verwondingen zo snel mogelijk te onderzoeken. De martelingen vonden inmiddels meer dan zes maanden geleden plaats. Op basis van de stukken en de foto’s zag  iMMO voldoende aanleiding om de aanvraag te honoreren en besloot snel een onderzoek te verrichten. Dat heeft inmiddels plaatsgevonden wordt zeer binnenkort ingebracht.

 

Nieuwsbrief nr. 7, 26 november 2012

Casus – Littekens en geheugenprobleem

In de zaak van een 30-jarige man uit Oeganda wordt het iMMO gevraagd een forensisch medisch onderzoek te doen naar de littekens en de psychische problematiek ten gevolge van ondergane martelingen in zijn land. Hij heeft asiel aangevraagd in Nederland. Het relaas van deze man is aldus. Vanwege politieke activiteiten van een broer  voor een oppositiebeweging, vallen soldaten het huis binnen waar hij met zijn moeder en zus verblijft. De soldaten vragen naar de broer, die afwezig is. Zijn zus wordt verkracht en zijn moeder die zich verzette tegen de soldaten, wordt gedood.

Vervolg
Betrokkene zelf wordt met een zak over zijn hoofd meegenomen naar een onbekende plek, waar hij wordt verhoord en gemarteld.
Hij ondergaat vele martelvormen: geschopt met schoenen op hoofd en lichaam, met zijn armen achter het lichaam opgehangen aan het plafond, geslagen met een metalen pijp op het lichaam, een touw aan zijn testikels gebonden met daaraan een steen hangend, en een kies getrokken. Daarnaast krijgt hij voortdurend en willekeurig klappen en wordt hij bedreigd. Via een kennis van zijn vader heeft hij de gevangenschap kunnen ontvluchten.

In Nederland aangekomen, krijgt hij eerst een medisch onderzoek bij MediFirst. In het medisch advies staat dat hij medische beperkingen heeft door de heftige emoties, de onrust en de zorgen die betrokkene heeft over zijn broer. Ook meldt dit advies dat hij diverse littekens heeft. Voor pijnklachten wordt hij verwezen naar de huisarts van het gezondheidscentrum voor asielzoekers (GCA). Daar gaat hij naar toe en krijgt het advies om tegen de pijn paracetamol te slikken en niet teveel over het verleden te denken.In het nader gehoor bij de IND vertelt hij ondanks de soms heftige emoties zijn vluchtverhaal redelijk goed. Na bijna een dag horen wordt dit gehoor opgeschort. Zijn procedure zal in de verlengde asielprocedure worden voortgezet. Dit betekent dat er meer tijd is voor alle benodigde stappen in de asielprocedure. Intussen is betrokkene door de huisarts verwezen naar de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) waar hij start met een behandeling en medicatie krijgt.

Zes weken later volgt er een aanvullend gehoor dat opnieuw bijna een dag duurt. Daarin krijgt betrokkene vragen over de politieke activiteiten van zijn broer, over de uniformen van de militairen die zijn huis binnenvielen, over de namen van de folteraars en over data. Betrokkene weet op veel vragen geen antwoord. Over de ondergane martelingen worden nauwelijks vragen gesteld.

In het voornemen tot afwijzen schrijft de IND dat er vage en summiere verklaringen zijn en dat er van zijn relaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Derhalve vindt de IND zijn vluchtverhaal ongeloofwaardig. Over de martelingen geen woord.

Zijn advocaat doet vervolgens een  aanvraag voor een iMMO-onderzoek. De IND geeft de advocaat de tijd om met de zienswijze te komen na afronding van het iMMO-onderzoek.

De iMMO-rapporteur constateert een flinke lijst met littekens die consistent zijn met de beschreven martelingen. Dit geldt ook voor de schouderklachten die betrokkene heeft als restverschijnsel van de ophanging aan de armen samengebonden achter het lichaam. In psychiatrische zin constateert de rapporteur een mengbeeld van een depressieve stoornis en een post-traumatische stress stoornis (PTSS). De rapporteur beoordeelt dit ziektebeeld vanwege de inhoud van de symptomen als typerend voor de ondergane martelingen. Tot slot is de conclusie dat de psychische klachten zeer waarschijnlijk in de weg hebben gestaan om compleet, coherent en consistent over het asielrelaas te kunnen vertellen. Deze constatering sluit aan bij de bevindingen van het medisch advies van Medifirst, waarin staat dat er beperkingen zijn bij betrokkene waar de IND rekening mee moet houden. Dit betekent dat het niet herinneren van bepaalde aspecten van de gebeurtenissen kan voortkomen uit medische en psychische problematiek en niet hoeft te duiden op ongeloofwaardigheid.

De advocaat brengt de iMMO-rapportage in bij de zienswijze en onderbouwt daarmee de ondergane martelingen en de geconstateerde beperkingen ten gevolge van de psychiatrische problematiek.

Een paar weken later komt het bericht dat betrokkene een verblijfsvergunning asiel krijgt. De iMMO-rapportage wordt genoemd in de beschikking, maar helaas niet in hoeverre dat heeft bijgedragen aan het veranderde oordeel ten aanzien van de geloofwaardigheid van betrokkene.

 

Casus – Duidelijke littekens

Het iMMO krijgt een aanvraag voor het doen van een medisch onderzoek bij een 36-jarige Iraanse man die in zijn land gemarteld werd na deelname aan demonstraties in 2011. Het asielrelaas is dat hij twee maal werd gearresteerd. De eerste keer gebeurt dit tijdens een demonstratie. Hij verblijft dan geblinddoekt en geboeid in een cel en wordt gestompt en geslagen. Na twee dagen komt hij weer vrij. Hij gaat dan door met politieke activiteiten en met het verspreiden van politieke pamfletten. Een aantal maanden later wordt hij een tweede keer gearresteerd bij een inval in zijn huis, waarbij ook voor hem belastend materiaal wordt gevonden. Hij wordt naakt en geboeid opgesloten in een koude kelder.

Vervolg
Zijn bewakers urineren op hem. En zij dwingen hem om hen seksueel te bevredigen. Met een heet voorwerp  wordt hij op zijn rug gemarteld. Omdat hij geblinddoekt is, kan hij niet zien wat voor voorwerp dit is. Wel gilt hij van de pijn als dit voorwerp sissend op zijn huid wordt gehouden. Daarna kan hij niet meer op zijn rug liggen van de pijn. Van anderen hoort hij dat hij grote brandblaren heeft, hoog op zijn rug. Na tien dagen koopt zijn rijke familie hem weer vrij. Zijn familie dringt aan op het land verlaten en vluchten.

In het voornemen tot afwijzen schrijft de IND dat hij wisselend heeft verklaard over details van de eerste arrestatie. Dit geldt ook voor hoe hij aan de politieke materialen kwam en deze verspreidde. Ook weet betrokkene in de ogen van de IND te weinig over de gevangenis te vertellen en is zijn vrijlating niet geloofwaardig. Daarmee mist zijn aanvraag in de ogen van de IND positieve overtuigingskracht en gelooft zijn verhaal niet. Een afwijzing dreigt.

Omdat de duidelijke littekens die hij heeft over gehouden aan de verbrandingen op zijn rug nog niet genezen zijn, is hij in Nederland bij de huisarts terecht gekomen. Deze schrijft zalven voor die de genezing bespoedigen. De huisarts is dermate geschokt door de littekens dat zij een briefje meegeeft aan betrokkene over de littekens, waarvan zij zegt dat die voortkomen uit tweedegraads verbrandingen ten gevolge van martelingen met een heet strijkijzer.

De advocaat brengt deze medische informatie in bij de zienswijze. Daarop besluit de IND dat deze aanvraag niet in de snelle algemene asielprocedure (AA) kan worden behandeld, maar door gaat naar de verlengde asielprocedure (VA). Dit geeft meer tijd aan alle partijen.

Enige maanden later komt er een negatieve beschikking. De IND houdt vast aan de in het voornemen genoemde punten. Bovendien stelt de IND dat de medische informatie van de huisarts niet met zekerheid aantoont dat er een causale relatie is tussen de littekens en martelingen. De IND stelt ook dat aan een verklaring van een behandelend arts weinig waarde kan worden toegekend. Een behandelaar gaat uit van het verhaal van de patiënt en kan niet onafhankelijk oordelen over zoiets als de oorzaak van een litteken. De IND stelt dat het zelfs voor een onafhankelijk arts niet mogelijk is om hier een eenduidige relatie vast te stellen tussen litteken en relaas.

De advocaat vraagt dan een iMMO-onderzoek aan. Het iMMO doet immers een onafhankelijk medisch onderzoek en heeft de rol van deskundige en niet van behandelaar. Hierna wordt de beroepszaak opgeschort in afwachting van de iMMO-rapportage.

De iMMO-rapporteur komt in zijn onderzoek tot de conclusie dat de gevonden littekens nauwelijks anders kunnen worden geduid dan passend bij verbranding met een strijkijzer. De littekens zijn dermate specifiek puntig en met uitsparingen van de stoomgaten van het strijkijzer, dat er geen andere voorwerpen een dergelijk verwonding kunnen geven. Theoretisch zou het nog een metalen voorwerp kunnen zijn in deze vorm of zou de betrokkene dit door iemand anders kunnen hebben laten toebrengen. Maar de anamnese en het onderzoek geven daar op geen enkele manier een aanwijzing voor. En dus luidt de conclusie, conform de terminologie van het Istanbul Protocol, dat de littekens typerend zijn voor het relaas van betrokken over het ontstaan door martelingen.

De advocaat was voornemens de iMMO-rapportage in te brengen in de beroepsfase. De behandeling van het beroep vond echter plaats zonder de iMMO-rapportage af te wachten. De advocaat had wel de brief van iMMO overgelegd waaruit bleek dat onderzoek was toegezegd en binnen enkele maanden zou plaatsvinden. De rechtbank achtte het Medisch Advies van MediFirst niet inzichtelijk en door hier geen nader onderzoek naar te doen had de IND niet voldaan aan de op haar rustende vergewisplicht. Het beroep werd gegrond verklaard. De rechtbank vernietigde de beschikking van de IND en droeg de IND op een nieuw besluit te nemen met in achtneming van de op handen zijnde rapportage van het iMMO. Deze werd begin januari 2013 ingediend. Begin februari jongstleden werd de asielaanvraag alsnog toegewezen.

 

Nieuwsbrief nr. 6, 25 juni 2012

Casus – Asielaanvraag met geheugenstoornissen

Een asieladvocaat benadert het iMMO om een medisch onderzoek te doen bij een uitgeprocedeerde Iraanse asielzoeker. Het gaat volgens de advocaat duidelijk om een man die gemarteld is, maar wiens verhaal eerder door de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) niet geloofwaardig werd geacht. Hij kwam naar Nederland en vroeg asiel aan. Twee jaar later raakte hij na zijn beroepszaak uitgeprocedeerd. Volgens de advocaat heeft hij zijn asielverhaal aan de IND niet goed kunnen vertellen omdat hij door de martelingen in coma is geraakt en hij verder nauwelijks heldere herinneringen aan de martelingen heeft.

Vervolg
Wel heeft hij tegen de IND gezegd dat hij in het ziekenhuis was beland, maar niet expliciet dat hij comateus was geweest. Verder heeft de advocaat geconstateerd dat de man diverse littekens heeft. Via vrienden in Iran is er een medisch rapport over de ziekenhuisopname in Teheran opgestuurd. In de vertaling daarvan is te lezen dat hij met ernstig hoofdletsel en in comateuze toestand is binnengebracht. Met dit gegeven en een iMMO-rapportage als ondersteund bewijs, hoopt de advocaat namens de man een herhaald asielverzoek in te dienen.

Het verhaal is als volgt. De man was betrokken bij de zogenaamde ‘groene revolutie’ in Iran, de protesten die plaatsvonden in juli 2009 na de herverkiezingen van de huidige president. Hij had meegelopen met demonstraties tegen het regime en voor de oppositie. Met een groep vrienden is hij opgepakt door de paramilitaire gardes (Basiji) die hem vastzetten en verhoorden om informatie te verkrijgen over zijn oppositionele activiteiten. Hij werd daarbij veel geslagen met harde gummiknuppels en houten stokken op het lichaam en op het hoofd. Ook wordt hij op zijn voetzolen geslagen met een speciale knuppel met scherpe punten. Hij kreeg elektrische schokken aan zijn testikels en tepels. Hij weet weinig details over dit alles. Zijn herinnering is een groot zwart gat want hij ontwaakt uiteindelijk in een ziekenhuisbed. Daar hoort hij dat hij in coma in binnengebracht waarschijnlijk na harde klappen op zijn hoofd.

Na bestudering van de juridische en medische stukken besluit de iMMO-staf dat een medisch onderzoek in deze casus toegevoegde waarde zou kunnen hebben. Zijn eerste asielverzoek was uit de tijd dat het huidige medisch advies gericht op medische beperkingen nog niet bestond. De man lijkt immers aantoonbare restverschijnselen en beperkingen te hebben die een gevolg kunnen zijn van de ondergane martelingen. Een van de iMMO rapporteurs spreekt uitgebreid met de man, onderzoekt hem en fotografeert zijn littekens. Bij onderzoek worden diverse littekens gevonden die passen bij zijn beschrijvingen van de martelingen die hij zich nog kan herinneren. Op zijn achterhoofd zit onder zijn haren een groot litteken dat past bij een ernstig hoofdletsel.

Uit het opgemaakte rapport en de fotobijlage van de diverse littekens blijkt dat er een causale relatie is te leggen tussen de gestelde martelingen en de littekens. Ook maakt het rapport inzichtelijk dat een dergelijk hoofdletsel tot een coma kan leiden. Uit de medische informatie uit Teheran blijkt daarnaast dat hij 3 dagen comateus is geweest. Een dergelijk coma brengt bijna altijd  beperkingen in de geheugenfunctie met zich mee, zowel over de periode voorafgaand aan het hoofdletsel (retrograad), als voor de periode daarna (anterograad). Dit kan dan ook goed verklaren waarom hij niet helder aan de IND kon vertellen over zijn gevangenschap en martelervaringen.

Na het indienen van zijn herhaald asielverzoek met als nieuwe stukken onder andere de iMMO-rapportage blijkt hij vrij snel een verblijfsvergunning asiel te krijgen. De medische  onderbouwing van zijn relaas heeft daarbij een belangrijke rol gespeeld. Dat is dan ruim twee en een half jaar na zijn eerste asielverzoek.