Jurisprudentie

Inhoudsopgave

Nieuwsbrief nr. 36, 25 maart 2021

Horen naar aanleiding van iMMO-rapportage

Nieuwsbrief nr. 35, 10 december 2020

Mishandeling vanwege geaardheid:
IND mag iMMO-rapportage niet zomaar passeren

Nieuwsbrief nr. 34, 1 oktober 2020

De staatssecretaris moet wachten op de uitslag van een iMMO-onderzoek

Kostenvergoeding in herhaalde asielaanvraag

Het belang van relevante medische informatie

Nieuwsbrief nr. 33, 26 juni 2020

iMMO-rapport dwingt IND om geloofwaardigheid relaas
opnieuw te beoordelen

Nieuwsbrief nr. 32, 15 april 2020

iMMO licht ter zitting de iMMO-rapportage toe

Beroep gegrond MK Rechtbank Haarlem

Nieuwsbrief nr. 31, 10 december 2019

Martelingen in Indonesië van meer dan 70 jaar geleden

Nieuwsbrief nr. 30, 19 september 2019

Inzichtelijk en concludent

Nieuwsbrief nr. 29, 26 juni 2019

Opnieuw een zaak waarin NIFP/NFI en iMMO rapporteerden

Nieuwsbrief nr. 28, 18 maart 2019

Vervolg: NIFP/NFI en iMMO rapporteerden in dezelfde zaak

Nieuwsbrief nr. 27, 10 december 2018

Afdelingsuitspraak over FMMU en iMMO

Nieuwsbrief nr. 26, 26 juni 2018

NIFP/NFI en iMMO rapporteerden in dezelfde zaak

Nieuwsbrief nr. 25, 12 december 2017

Bijdrage van een medisch onderzoek in de geloofwaardigheidsbeoordeling (II)

Nieuwsbrief nr. 24, 24 maart 2017

De bijdrage van een medisch onderzoek in de geloofwaardigheidsbeoordeling

Nieuwsbrief nr. 23, 9 december 2016

Vervolg casus ‘Beperkingen & Werkinstructie 2010/13’

De relevantie van een Forensisch Medisch Onderzoek conform artikel 18 Pri

Nieuwsbrief nr. 22, 23 september 2016

Beperkingen en Werkinstructie 2010/13

Nieuwsbrief nr. 21, 26 juni 2016

Ernstige marteling ‘op zijn minst waarschijnlijk’

Nieuwsbrief nr. 20, 8 april 2016

Belangrijke uitspraak CAT: medische rapportage is sterk steunbewijs

Jurisprudentie iMMO-rapportages 2013-2016

Nieuwsbrief nr. 19, 10 december 2015

Casus Ethiopië bij iMMO-Nieuwsbrief 19

Nieuwsbrief nr. 17, 26 juni 2015

Relevantie in kader artikel 18 Procedure richtlijn 2013/32/EU

Vervolgcasus ‘Waardering psychisch medisch steunbewijs’

Nieuwsbrief nr. 16, 20 maart 2015

Mensenhandel & Asiel, beleid en praktijk

Nieuwsbrief nr. 15, 10 december 2014

De rechtbank in zaken van jongeren

Nieuwsbrief nr. 14, 9 oktober 2014

Waardering psychisch medisch steunbewijs

 

Voor inhoud volgende nieuwsbrieven naar beneden scrollen

Nieuwsbrief nr. 13, 26 juni 2014

iMMO vermoedt marteling: nader onderzoek door IND vereist

Nieuwsbrief nr. 12, 8 april 2014

Medisch steunbewijs en beperkingen als nieuw feit in herhaalde asielaanvragen

Nieuwsbrief nr. 11, 10 december 2013

RJ tegen Frankrijk, EHRM 19 september 2013 (JV 2013/375)

Nieuwsbrief nr. 10, 24 oktober 2013

Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State,
31 juli 2013; 201211436/1/V4

Vervolg casus 1, Drie keer AA, Nieuwsbrief 6, 25 juni 2012

Nieuwsbrief nr. 9, 26 juni 2013

Verblijfsvergunning met iMMO-rapportage bij 8e asielaanvraag

Nieuwsbrief nr. 8, 26 april 2013

Rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem,
10 september 2012; AWB 11/31014 en 11/31016

Rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch,
25 januari 2013, AWB 13/353

Rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem,
20 november 2012,  AWB 12/18010

Nieuwsbrief nr. 7,  26 november 2012

Rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem
3 juli 2012;  AWB 12/19247 en 12/19246

Rechtbank ’s Gravenhage,
20 november 2012; AWB 12/33536 en 12/33535

Nieuwsbrief nr. 6, 25 juni 2012

Drie keer AA


Nieuwsbrief nr. 36, 25 maart 2021

Horen naar aanleiding van iMMO-rapportage

iMMO heeft forensisch medisch onderzoek verricht in een zaak waar een jongeman onder meer stelt gemarteld en met de dood bedreigd te zijn in een land in Centraal-Azië. De advocaat dient de iMMO-rapportage in bij een vijfde asielprocedure. De IND wijst deze asielaanvraag wederom af wegens ongeloofwaardigheid van het asielrelaas, maar doet dit zonder betrokkene in deze vijfde aanvraag opnieuw te horen. In de besluitvormingsfase van deze aanvraag gaat de IND in de beschikking inhoudelijk in op de iMMO-rapportage. In de beroepsfase bepaalt de rechter dat, nu de IND de zaak inhoudelijk heeft behandeld, betrokkene opnieuw gehoord moet worden. In de uitspraak komen overwegingen naar voren over de procedurele zorgvuldigheid van de IND bij het beoordelen van een iMMO-rapportage.

In de eerste vier asielprocedures verklaart betrokkene steeds uitgebreider, waarbij er telkens een ander aspect van het relaas naar voren komt. Achtereenvolgens komt aan bod dat betrokkene stelt wegens eerwraak gevlucht te zijn, nadat hij werd mishandeld en het meisje met wie hij een relatie had om het leven is gekomen. In opvolgende procedures stelt betrokkene dat hij gevangen is genomen door een gewelddadige groepering in zijn land van herkomst en dat hij misbruikt, verkracht en mishandeld is. Later geeft hij nog meer van zijn relaas weer door te stellen dat hij onder meer als afvallige zal worden gezien en dat hij stelt homoseksueel te zijn. De IND wijst al deze asielaanvragen af.

Betrokkene besluit om een vijfde asielaanvraag te starten. Hij dient daarbij de iMMO-rapportage in en een onderzoeksrapport naar enkele ingebrachte (dreig)brieven. Betrokkene beroept zich tevens op de verslechterde situatie in het land van herkomst.
In de iMMO-rapportage zijn de geconstateerde medische klachten als zeer consistent met het gestelde geweld beoordeeld. Verder wordt geconcludeerd dat bij betrokkene medische klachten aanwezig waren ten tijde van de gehoren die zeker hebben geïnterfereerd met het consistent, coherent en compleet verklaren ten tijde van enkele van de eerder gevoerde asielprocedures.

De IND stelt zich bij deze laatste asielaanvraag op het standpunt dat de iMMO-rapportage geen aanleiding geeft om aan te nemen dat betrokkene bij eerdere asielaanvragen niet goed verklaard zou kunnen hebben. De IND besluit om de vreemdeling ten behoeve van diens laatste aanvraag niet nogmaals te horen (gehoor opvolgende aanvraag). iMMO heeft op verzoek van de advocaat een brief geschreven naar aanleiding van de reacties van de IND op de iMMO-rapportage in het voornemen. iMMO legt uit waarom de rapporteurs niet kunnen aangeven op welke onderdelen van het asielrelaas de beperking van het vermogen om te verklaren, invloed heeft gehad. Hierbij wordt specifiek ingegaan op de psychische problematiek van betrokkene en de werking van het geheugen. Verder geeft iMMO aan dat het horen van een asielzoeker in de regel binnen enkele waarborgen wel kan, maar dat dit niet betekent dat betrokkene geen beperking heeft in het vermogen om te verklaren. Ondanks de reactie van iMMO wijst de IND deze opvolgende asielaanvraag af zonder opnieuw te horen.

De kernvraag bij een opvolgende aanvraag is of er nieuwe feiten en of omstandigheden naar voren gebracht worden die een nieuwe inhoudelijke beoordeling rechtvaardigen. Als dat niet het geval is, dan kan de IND een aanvraag als niet-ontvankelijk afwijzen. Echter de IND heeft deze opvolgende asielaanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de IND deze opvolgende aanvraag niet als kennelijk ongegrond kan afwijzen zonder betrokkene te horen. Dat is namelijk in strijd met diverse artikelen uit de Europese Procedurerichtlijn (artikel 14 en 16 en 40 lid 3 van de Pri). De rechtbank oordeelt dat de IND een inhoudelijke afdoening van een opvolgende aanvraag heeft gegeven. Op basis van de Pri ontstaat er bij inhoudelijke afdoening een recht voor de vreemdeling om gehoord te worden.

De IND zal moeten onderzoeken wat de informatie uit de iMMO-rapportage betekent voor het kunnen horen van betrokkene. De FMMU zal hier zo nodig nog over geraadpleegd dienen te worden. De IND hoort namelijk, op basis van de uitspraak (1) van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 juni 2018, uit te zoeken wat deze nieuwe informatie betekent voor het horen van de vreemdeling. Ook oordeelt de rechtbank dat het gehoor dient te voldoen aan de eisen uit artikel 16 Pri, waarbij de asielzoeker de kans hoort te krijgen om zo volledig mogelijk elementen aan te voeren en om eventuele ontbrekende elementen aan te vullen en/of eventuele tegenstrijdigheden of inconsistenties te weerleggen.

Aangezien de rechtbank heeft geoordeeld dat de IND zal moeten gaan horen in deze zaak, zal de iMMO-rapportage daarna gerelateerd dienen te worden aan datgene wat betrokkene verklaart. Daarna kan ook bepaald worden of de IND verplicht is om nader medisch onderzoek te laten verrichten naar het deel van het asielrelaas dat met de iMMO-rapportage is onderbouwd.

(1) Uitspraak van 27 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2085) r.o. 10.2.

 

Nieuwsbrief nr. 35, 10 december 2020

Mishandeling vanwege geaardheid: IND mag iMMO-rapportage niet zomaar passeren

In de zomer van 2020 heeft iMMO onderzoek gedaan bij een vrouw die stelt dat ze in haar land van herkomst is mishandeld vanwege haar seksuele geaardheid. Zowel voor de geconstateerde psychische klachten als de littekens komen de rapporteurs tot de conclusie dat de medische bevindingen zeer consistent zijn met de gestelde gewelddadigheden. Het iMMO-rapport is ingebracht in een opvolgende procedure waarna de rechtbank het beroep van de betrokkene gegrond heeft verklaard. Hierbij haalt de enkelvoudige kamer van de rechtbank de uitspraak van de rechtbank van Den Bosch aan van 15 juli jl. betreffende o.m. het onderdelenvereiste.

Tijdens het forensisch medisch onderzoek bij iMMO zien we een Afrikaanse vrouw van 40 jaar oud. Ze groeit op in de hoofdstad van haar land van herkomst en wordt traditioneel religieus opgevoed. Haar ouders willen dat ze voldoet aan traditionele gebruiken waaronder besnijdenis, maar daar verzet ze zich tegen. Rond haar pubertijd komt ze erachter dat ze zich aangetrokken voelt tot vrouwen. Ze krijgt een relatie met een vrouw, en wanneer haar ouders dit ontdekken wordt ze verstoten. Vanaf dat moment woont betrokkene bij vrienden.

Op een gegeven moment wordt ze betrapt als ze samen met haar vriendin is. Ze wordt door een grote groep mensen aangevallen. Ze wordt over haar hele lichaam geschopt en geslagen en aan haar haren over de grond gesleept. Daarbij verliest ze het bewustzijn. Ze wordt gered door een man die haar meeneemt naar een ander gebied van haar land. Na een tijd besluit betrokkene dat ze terug wil naar haar eigen stad. Op de terugweg wordt ze herkend door mensen uit haar gemeenschap. Deze vallen haar opnieuw aan en ze wordt geschopt en geslagen. Ze wordt ook vastgebonden aan haar benen en in een kuil met zand gegooid. Ze wordt gered door een groep mannen die de mensen uit haar gemeenschap afschrikken. Na deze gebeurtenis besluit de vrouw haar land te ontvluchten.

Tijdens de asielprocedure in Nederland vertelt betrokkene in eerste instantie niet over haar geaardheid en de mishandelingen. Ze vertelt dan een ander verhaal, dat wordt geloofd door de IND maar geen recht op internationale bescherming geeft.

iMMO onderzoek
De advocaat dient een opvolgende procedure in en vraagt bij iMMO een forensisch medisch onderzoek aan. Tijdens het onderzoek constateert de psycholoog psychische klachten die worden beoordeeld volgens het Istanbul Protocol als zeer consistent met het gestelde relaas. Uit de dossierstukken blijkt dat er tijdens de gehoren psychische en lichamelijke klachten waren welke zeer waarschijnlijk geïnterfereerd hebben met compleet, consistent en coherent verklaren.

Bij het lichamelijk onderzoek ziet de arts 40 littekens waarvan de arts er 35 beoordeelt. Twee littekens worden beoordeeld als zeer consistent en 33 littekens als consistent met het gestelde relaas. In het rapport wordt paragraaf 188 van het Istanbul Protocol toegepast. Het gaat uiteindelijk om een totaal oordeel van alle laesies en niet om de losse gradatie van ieder afzonderlijk litteken. De kans dat de afzonderlijke littekens een andere oorzaak hebben dan de door betrokkene gestelde toedracht, wordt minder waarschijnlijk naar gelang het totaal aantal beoordeelde littekens. Bij deze casus worden conform paragraaf 188 alle 35 littekens tezamen beoordeeld als zeer consistent.

Juridische overwegingen
Hoewel de staatssecretaris ter zitting aangeeft dat zij de rapportage naast zich neer wil leggen omdat er geen sterke kwalificaties worden gebruikt, komt de rechtbank tot een ander oordeel. De rechtbank weegt bovengenoemde gezamenlijke beoordeling van laesies expliciet mee in haar oordeel.

De staatssecretaris vindt verder dat de iMMO-rapportage niet voldoet aan het onderdelenvereiste: de iMMO-rapporteur geeft niet aan op welke onderdelen van het asielrelaas de beperking van het vermogen om consistent en coherent te verklaren invloed heeft gehad. De staatssecretaris verwijst naar rechtsoverweging 10.5 van de uitspraak van de ABRvS van 27 juni 2018. In deze uitspraak kwam daarbij o.m. naar voren dat tevens vereist is dat uit de forensisch medische rapportage blijkt op welke wijze de conclusies in de rapportage zijn vastgesteld. Als de rapportage aan de door de ABRvS uiteengezette eisen voldoet, de staatssecretaris vervolgens geen medisch deskundige inschakelt, de conclusies uit de rapportage niet bestrijdt en desondanks het relaas van betrokkene ongeloofwaardig acht, dan hoort de staatssecretaris haar oordeel te motiveren.

iMMO heeft in de rapportage en de leeswijzer uitleg gegeven over waarom het standaard onderscheid maken tussen wat iemand wel en wat iemand niet kan verklaren alleen in uitzonderlijke gevallen mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris de iMMO-rapportage niet zomaar kan passeren met het betoog dat de rapportage niet voldoet aan het onderdelenvereiste. De rechtbank verwijst daarbij naar de met wetenschappelijk onderzoek onderbouwde conclusie van iMMO over het onderdelenvereiste en de uitspraak van rechtbank Den Bosch van 15 juli j.l.

De overwegingen van de rechtbank hebben mede geleid tot een gegrond beroep voor betrokkene. De staatssecretaris is veroordeeld in de kosten van de iMMO-rapportage. De staatssecretaris is niet in hoger beroep gegaan.


Nieuwsbrief nr. 34, 1 oktober 2020

De staatssecretaris moet wachten op de uitslag van een iMMO-onderzoek

Rechtbank Den Bosch oordeelt dat de staatssecretaris zelf een forensisch medisch onderzoek had moeten starten. Vervolgens had de staatssecretaris op de uitslag van het iMMO-onderzoek moeten wachten Tenslotte had de staatssecretaris het deskundigenbericht een rapportage van iMMO niet naast zich neer mogen leggen maar moeten betrekken bij de integrale beoordeling van geloofwaardigheid van het asielrelaas. De rechtbank staat stil bij de huidige praktijk van het wel/niet gebruik van een forensisch medisch onderzoek door de IND en beoordeelt deze uitvoerig in het licht van de Europese en internationale regelgeving. De huidige werkwijze van de IND is volgens de rechtbank niet in overeenstemming met Europese rechtelijke jurisprudentie. Ook oordeelt de rechtbank dat het veel aangehaalde ‘onderdelenvereiste’ wetenschappelijk niet aanvaardbaar kan worden geacht en wordt derhalve buiten beschouwing gelaten.

Een advocaat vraagt iMMO een forensisch medisch onderzoek (FMO) te doen bij een mannelijke asielzoeker van ongeveer 20 jaar, afkomstig uit een land uit het Midden-Oosten. Op het moment van de aanvraag voor een onderzoek is de vreemdeling één keer bij de FMMU (Forensisch Medische Maatschappij Utrecht) geweest en moeten het eerste en het nader gehoor bij de IND nog plaatsvinden.

De kern van het asielrelaas komt er op neer dat de vreemdeling is ontvoerd door onbekende personen en vervolgens gedurende een maand is vastgehouden. In die periode heeft hij meerdere keren moeten optreden als dansjongen en is in die hoedanigheid ook meerdere malen mishandeld en seksueel misbruikt.
(Lees hier verder over het asielrelaas).

IND negeert medische aanwijzingen
De IND heeft de asielaanvraag afgewezen primair omdat het relaas ongeloofwaardig wordt bevonden wegens het afleggen van ongerijmde verklaringen en het afleggen van verklaringen die zien op bevreemdingwekkende gedragingen. Daarbij speelt voor de IND een rol dat de jongeman niet zou passen in het profiel dat bestaat over dansjongeren, hij op een relatief eenvoudige manier is ontsnapt en hij over bepaalde aspecten van het relaas summier en niet gedetailleerd heeft verklaard.

De vreemdeling stelt aan de mishandelingen en het misbruik enkele zichtbare en niet direct zichtbare littekens te hebben overgehouden alsmede diverse (psychische) klachten. Voor aanvang van het nader gehoor verzoekt de advocaat reeds om een FMO van de kant van de IND en wijst hij op de diverse zichtbare littekens die mogelijk kunnen duiden op marteling zoals het uitdrukken van sigaretten op de arm, een gebroken neus en tanden. Daarnaast maakt de advocaat de IND duidelijk dat de vreemdeling ook last heeft van psychische klachten. Zoals gezegd, de IND wijst de asielaanvraag af zonder zelf een medisch onderzoek te laten verrichten en zonder te willen wachten op de resultaten van het reeds vroegtijdig aangekondigde iMMO-onderzoek.

Bevindingen iMMO-onderzoek
Tijdens het iMMO-onderzoek worden meerdere littekens gezien. De littekens van de uitgedrukte sigaretten worden beoordeeld, het Istanbul Protocol volgend, als typerend. Er worden psychische klachten vastgesteld welke zeer consistent worden bevonden voor het gestelde ondergane geweld. In het dossier worden aanwijzingen gevonden dat bij betrokkene ten tijde van de asielgehoren van de IND zeer waarschijnlijk factoren waren welke geïnterfereerd hebben met compleet, coherent en consistent kunnen verklaren. Het iMMO-rapport wordt door de gemachtigde ingebracht in de beroepsfase.

Wanneer moet de IND een FMO starten
De kern van het juridische geschil vormt de vraag naar de reikwijdte van de verplichting die de staatssecretaris heeft op grond van artikel 18 van de Procedurerichtlijn (Pri) in samenhang gelezen met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn (Kri) om zelf een FMO te starten. De staatssecretaris is volgens de rechtbank gehouden aan zijn samenwerkingsplicht (art. 4 Kri) om een goede beoordeling te kunnen maken inzake de behoefte aan internationale bescherming en/of er een risico bestaat op schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer. De staatssecretaris moet het steeds relevant achten (onderstreping rechtbank) om te onderzoeken of door medisch onderzoek steun kan worden gevonden voor het relaas van de vreemdeling als die medische klachten of littekens heeft en deze relateert aan de kern van het gestelde relaas.

Gelet op de jurisprudentie van het EHRM, komt aan de staatssecretaris geen beoordelingsvrijheid toe om een FMO niet relevant te achten enkel met als reden dat de vreemdeling zijn relaas niet aannemelijk heeft gemaakt middels zijn verklaringen. De rechtbank oordeelt dat in deze asielprocedure er zodanig sterke indicaties aanwezig waren dat de staatssecretaris voorafgaand aan het nader gehoor reeds had moeten onderkennen dat hij op grond van genoemde wetgeving gehouden was om zelf een FMO te starten.

Het medisch onderzoek moet, volgens de rechtbank, in ieder geval plaatsvinden voorafgaand aan het uitbrengen van het voornemen. Medisch onderzoek moet namelijk inzichtelijk maken voor de staatssecretaris of hij mag uitgaan van de vooronderstelling dat de vreemdeling, ondanks medische klachten, in staat moet worden geacht om zijn relaas adequaat naar voren te kunnen brengen, aldus de rechtbank. Dit, omdat het medisch onderzoek moet worden betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas en omdat de medische bevindingen samen en tegelijkertijd (onderstreping rechtbank) met de verklaringen van de vreemdeling moeten worden beoordeeld.

Op de staatssecretaris rust de verplichting om te onderzoeken of aan de vreemdeling het voordeel van de twijfel moet worden gegund nu niet (onderstreping iMMO) is tegengeworpen dat aangaande de kern van het asielrelaas tegenstrijdig is verklaard. In de regel geldt in het asielrecht namelijk dat naarmate de tegenwerpingen sterker zijn (bv. de kern van het relaas bevat tegenstrijdige verklaringen en er zijn vervalste documenten overgelegd) de staatssecretaris minder snel geneigd zal zijn om de vreemdeling het voordeel van de twijfel te geven.

Onderdelenvereiste wetenschappelijk niet aanvaardbaar
Daarnaast oordeelt de rechtbank over het zogenaamde ‘onderdelenvereiste’. Dit betreft de eis die de Afdeling/staatssecretaris stelt aan medisch deskundigen om aan te geven op welke onderdelen van het asielrelaas de conclusies uit het FMO ten aanzien van het vermogen om compleet, coherent en consistent te kunnen verklaren betrekking hebben. De rechtbank oordeelt dat dit vereiste wetenschappelijk niet aanvaardbaar is, zoals ook door iMMO is bepleit en wetenschappelijk is onderbouwd.
(Zie de iMMO Leeswijzer)

Conclusie
Samenvattend oordeelt de rechtbank dat de staatssecretaris de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling in deze zaak niet op juiste wijze heeft toegepast nu de bevindingen van iMMO geheel buiten beschouwing zijn gelaten. Dit omdat de verklaringen van de vreemdeling eerder al als ongeloofwaardig zijn beoordeeld. Deze werkwijze is volgens de rechtbank niet in overeenstemming met de (in de uitspraak uiteengezette) Europeesrechtelijke jurisprudentie.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van de IND. De rechtbank draagt de IND op een nieuw besluit te nemen. De IND is in hoger beroep gegaan, maar heeft dit hoger beroep zelf wegens een fatale termijnoverschrijding weer ingetrokken. Dit betekent dat de IND een nieuwe beslissing op de asielaanvraag moet nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak wordt ook besproken door prof. dr. Ashley Terlouw (professionele raad iMMO) en drs. Annemieke Keunen (directeur iMMO) in de rubriek Uitgelicht in het komende nummer van Asiel&Migrantenrecht.


Kostenvergoeding in herhaalde asielaanvraag

Kostenvergoedingen van iMMO-rapportages in de herhaalde asielaanvraagprocedures (hasa’s) worden helaas zelden toegewezen. Echter, rechtbank Zwolle oordeelt in zaak nummer NL19.23416 dat de staatssecretaris deze vergoeding in de herhaalde asielaanvraag (hasa) wel moet betalen.

De rechtbank doet de uitspraak naar aanleiding van het verweer van de staatssecretaris waarin wordt aangevoerd dat hij de kosten van de iMMO-rapportage niet wilde vergoeden omdat het om een vierde asielaanvraag ging. Volgens de staatssecretaris had de betrokkene het forensisch medisch onderzoek eerder op kunnen laten stellen. Dit heeft de vreemdeling niet gedaan en niet is gebleken dat hij het niet heeft kunnen laten doen.

Vierde aanvraag
De vreemdeling diende in 2017 zijn vierde asielaanvraag in. Deze werd ingewilligd in 2019. De vreemdeling had met behulp van het iMMO-rapport en landeninformatie onderbouwd dat het standpunt van de staatssecretaris over de ongeloofwaardigheid van het gestelde, onjuist is.

Op grond van art. 6:19 lid 1 Awb heeft de vreemdeling bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van het besluit van de ingewilligde vergunning. De vreemdeling verzoekt voorts de staatssecretaris om de verblijfsvergunning per 20 oktober 2010 te verlenen. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris heeft nagelaten om op de heroverweging te beslissen, terwijl de staatssecretaris hier wel gemotiveerd op had moeten beslissen op grond van een uitspraak van de Afdeling van 14 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3742). Bovendien staat artikel 44 lid 2 Vw niet in de weg om een verblijfsvergunning te verlenen met een eerdere datum. Het beroep van de vreemdeling op dat punt is daarom gegrond.

iMMO-rapportage als steunbewijs
In dit kader heeft de vreemdeling tevens verzocht om kostenvergoeding van de iMMO-rapportage. De rechtbank oordeelt daarna op grond van art. 8:75 Awb dat de vergoeding van kosten voor de iMMO-rapportage redelijk is. Volgens de rechtbank voldoet deze zaak aan de criteria van de Afdelingsjurisprudentie dat het inroepen van de deskundige redelijk is en dat de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. De rechtbank vermeldt dat iMMO in de asielrechtpraktijk een rol van betekenis speelt waar het gaat om het bieden van de mogelijkheid om medisch steunbewijs te leveren. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de staatssecretaris het asielrelaas van de vreemdeling in de vorige procedures niet geloofwaardig heeft geacht en dat tussen partijen niet in geschil is dat de inhoud van de iMMO-rapportage in de huidige procedure tot inwilliging van de aanvraag heeft geleid. De kosten komen de rechtbank niet onredelijk voor en deze zijn niet door de staatssecretaris weersproken.

Overige interessante uitspraken
In een recente uitspraak van de Raad van State van 24 juni 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1448) worden de regels over de vergoeding van de kosten van deskundigen verder gespecificeerd. Op voet van artikel 8:75 Awb komen kosten van een deskundige voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van een deskundige redelijk is en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Voor de kostenvergoeding van een rapportage (in deze zaak betreft het een psychodiagnostische rapportage van ExpatPsy) is niet vereist dat de rapportage zelf heeft bijgedragen aan het uiteindelijke oordeel van de rechtbank.

De Afdeling overweegt dat om te bepalen of de vergoeding van de kosten van een niet-juridische deskundige redelijk is, de maatstaf kan worden gehanteerd of degene die deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden ervan mocht uitgaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor uitkomst van het geschil relevante vraag. In dit geval is aan dit criterium voldaan.


Het belang van relevante medische informatie

In een tussenuitspraak van de meervoudige kamer van rechtbank Middelburg (ECLI:NL:RBDHA:2020:8313), oordeelt de rechtbank dat de staatssecretaris niet heeft voldaan aan plichten die horen bij het omgaan met nieuwe medische informatie. De casus betreft een vreemdeling die stelt homoseksueel te zijn. Hij vreest om die reden voor vervolging van zijn familie en de autoriteiten in een Afrikaans land.
Deze zaak gaat niet over een iMMO-rapport, maar benadrukt wel het belang van het indienen van relevante medische informatie in de asielprocedure. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een situatie zoals beschreven in de Afdelingsuitspraak van 27 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2085), waarin de Raad van State zich onder meer heeft uitgesproken over hoe om te gaan met medische adviezen aan verweerder van de Forensisch Medische Maatschappij Utrecht (FMMU). In rechtsoverweging 10.2 van deze Afdelingsuitspraak heeft de Raad van State geoordeeld dat als een vreemdeling ná het uitbrengen van een FMMU-advies, maar vóór het afnemen van de gehoren medische informatie inbrengt die de FMMU niet bekend was ten tijde van het opstellen van dat advies, de zorgvuldigheid vereist dat verweerder onderzoekt wat deze informatie betekent voor het horen van de vreemdeling en zo nodig de FMMU daarover raadpleegt.

In casu heeft de FMMU op 4 september 2018 een medisch advies uitgebracht en de vreemdeling heeft daarna, maar vóór het afnemen van het eerste gehoor nieuwe medische informatie ingebracht. De rechtbank beantwoordt allereerst de vraag of de staatssecretaris voldoende zorgvuldig is omgegaan met de nieuw ingebrachte medische informatie.

De vreemdeling heeft het patiëntendossier ingebracht waaruit blijkt dat hij lijdt aan posttraumatische stressstoornis (PTSS) en last heeft van slaapproblemen, angstklachten, moeite om mensen te vertrouwen en om te vertellen over wat hem is overkomen. Tevens gebruikt hij onder meer slaapmedicatie en een antidepressivum. De FMMU heeft in het medisch advies van 4 september 2018, bij de vraag wat relevant is voor horen en beslissen, slechts opgemerkt dat de vreemdeling vermoeidheidsklachten heeft en dat hij stelt last te hebben van geheugenklachten, maar dat dit niet uit het medisch onderzoek is gebleken.

Stukken van de dokter
Het patiëntendossier geeft, volgens de rechtbank, een ander beeld van de vreemdeling weer dan het FMMU-advies. Het is niet duidelijk in hoeverre de staatssecretaris onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van de nieuwe medische informatie bij zowel het horen als het beslissen. In het nader gehoor staat een zin dat de gehoorambtenaar ‘stukken van de dokter’ heeft gezien. Op basis hiervan oordeelt de rechter dat niet kan worden vastgesteld of de staatssecretaris zich heeft vergewist van de inhoud van de nieuwe medische informatie. Ook is onbekend of de staatssecretaris onderzoek heeft gedaan naar wat de gevolgen van deze nieuwe medische informatie waren voor het horen en beslissen en of de staatssecretaris is nagegaan of het instellen van een aanvullend medisch advies bij de FMMU noodzakelijk was. Om deze redenen heeft de staatssecretaris niet kunnen vasthouden aan het FMMU-advies van 4 september en is er sprake van een gebrek. Als de staatssecretaris aangeeft het gebrek te willen herstellen, heeft ze daar vervolgens 6 weken de tijd voor.

Nieuwsbrief nr. 33, 26 juni 2020

iMMO-rapport dwingt IND om geloofwaardigheid relaas opnieuw te beoordelen

Een advocaat vraagt iMMO een forensisch medisch onderzoek te doen bij een mannelijke asielzoeker van een jaar of dertig, afkomstig uit een land in het Midden-Oosten. Op het moment van de aanvraag bij iMMO ligt er een voornemen tot afwijzing van de IND.

Tijdens het onderzoek wordt snel duidelijk dat betrokkene zichtbaar gespannen is en zich ongemakkelijk voelt. Zo geeft hij aan dat de medische onderzoeksbank die in de kamer aanwezig is hem doet denken aan de tijd dat hij door de inlichtingendienst werd gemarteld. Wanneer er een scherm voor de onderzoeksbank wordt geplaatst, oogt hij zichtbaar meer ontspannen.

De kern van het asielrelaas komt er op neer dat hij door de inlichtingendienst stelselmatig fysiek en psychologisch is gemarteld vanwege diens bekering tot het christendom. Ook stelt hij ongeveer twee jaar in gevangenschap te hebben doorgebracht, een periode eveneens vol marteling en mishandeling. Betrokkene kan, ook al vindt hij het heel moeilijk, vertellen over vele bij hem toegepaste martelmethodes zoals ‘butchery suspension’, ‘Palestijnse methode’ en de ‘kuikenmethode’. Nog meer moeite heeft hij om te vertellen wat er allemaal met hem tijdens gevangenschap is aangedaan door zowel de autoriteiten als door medegevangenen. Geobserveerd wordt hoe oprecht aangedaan hij oogt.

In haar rapport oordeelt iMMO dat zowel de lichamelijke problematiek (vele littekens) als de psychische problematiek typerend zijn voor de kern van het gestelde relaas. Daarnaast is er ernstige psychiatrische problematiek geconstateerd, zoals ernstige PTSS, een depressieve stoornis en paniekstoornis, die zeer waarschijnlijk hebben geïnterfereerd met het coherent, consistent en compleet kunnen verklaren ten tijde van de asielgehoren.

De IND heeft de asielaanvraag primair afgewezen omdat betrokkene diens bekeringsproces niet inzichtelijk gemaakt zou hebben, dan wel met zijn verklaringen over het christelijk geloof en bijbelkennis zijn bekering niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt. Zijn relaas dat hij vanwege zijn bekering is gemarteld en gedetineerd heeft gezeten, wordt vervolgens ook niet geloofd. Dat hij gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd over het gevangeniscomplex waar hij stelt te hebben verbleven maakt aannemelijk dat hij daar is geweest, maar geeft niet aan waarom.  Uit het eerder verstrekte FMMU-advies is niet gebleken van waargenomen klachten en geconstateerde beperkingen. De IND heeft geen eigen medische deskundige ingeschakeld.

De rechtbank oordeelt in november 2019 dat het ingebrachte iMMO-rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en de getrokken conclusies op inzichtelijke wijze zijn verwoord. Daarmee voldoet het iMMO-rapport aan de door de Afdeling bestuursrechtspraak gestelde eisen. De kern van het juridische geschil is dus de vraag of de IND op  juiste wijze tot de conclusie is gekomen dat het asielrelaas ongeloofwaardig is, ondanks het ingebrachte iMMO-rapport en zonder zelf een eigen medische deskundige te raadplegen.

Wat opvalt in de rechtbankuitspraak is dat de rechtbank veel uitgebreide passages uit het iMMO-rapport zelf aanhaalt. Dit ter illustratie van haar oordeel dat het iMMO-rapport verschillende aanknopingspunten bevat om aan te nemen dat de conclusies uit dit rapport niet enkel betrekking hebben op het vermogen van de vreemdeling om te verklaren over de details van de ondergane martelingen, maar ook over het hele relaas. Hierbij wordt verwezen naar de iMMO-leeswijzer die standaard wordt meegestuurd met het rapport en de daarin opgenomen wetenschappelijke verwijzingen inzake de stellingname dat geconstateerde beperkingen het hele relaas kunnen aantasten, niet slechts details.

De rechtbank legt ook een verband tussen wat iMMO onder het ‘asielrelaas’ verstaat en de geconstateerde beperkingen, zodat vastgesteld kan worden op welke onderdelen van het relaas de geconstateerde beperkingen invloed hebben gehad. Nu de IND van de rechtbank van de conclusies uit het iMMO-rapport moet uitgaan moet de IND ‘nader motiveren’ indien vastgehouden wordt aan het eerder ingenomen geloofwaardigheidsoordeel. De rechtbank oordeelt dat de IND dit niet afdoende heeft gedaan en is van mening dat de IND niet heeft voldaan aan de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling (alle elementen tezamen en toegespitst op de persoonlijke omstandigheden) zoals is neergelegd in diverse IND werkinstructies.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van de IND. De rechtbank draagt de IND op een nieuw besluit te nemen. De advocaat heeft inmiddels laten weten dat in mei 2020 aan betrokkene een asielvergunning is verleend nadat o.a. het iMMO-rapport opnieuw bekeken is en betrokken is bij het nieuwe (integrale) geloofwaardigheidsoordeel.


Nieuwsbrief nr. 32, 15 april 2020

iMMO licht ter zitting de iMMO-rapportage toe

Een minderjarige jongen uit een land uit het Midden-Oosten had in de asielaanvraag aangegeven onderweg naar Nederland, seksueel misbruikt te zijn door de reisagent. In de beroepsprocedure voert hij een nieuw asielmotief aan, namelijk dat hij ook misbruikt is in zijn land van herkomst. De IND stelt zich primair op het standpunt dat het in beroep aangedragen nieuwe asielmotief niet bij de beoordeling diende te worden betrokken.
Echter, gelet op de bijzondere omstandigheden in de zaak, de minderjarigheid, de etnische afkomst en de aard van het in beroep aangedragen asielmotief, heeft de IND zich toch bereid verklaard om het nieuwe asielmotief bij de beoordeling in het beroep te betrekken.

De rechter heeft daarop het onderzoek ter zitting geschorst en het vooronderzoek heropend. Na een aanvullend gehoor volgt echter wederom een afwijzend besluit. In de daarop volgende beroepsfase wordt een iMMO-rapportage overgelegd. Het geschil heeft zich toegespitst op de geloofwaardigheid van het aanvullend asielmotief en met name de waarde die kan worden toegekend aan het overgelegde iMMO-rapport.

De nieuwe rechtbank stelt vast dat in het iMMO-rapport is geconcludeerd dat de klachten van betrokkene zeker hebben geïnterfereerd met de mogelijkheid om compleet, coherent en consistent te verklaren ten tijde van de gehoren en ten tijde van het onderzoek. De fysieke klachten zijn consistent met het gestelde seksuele geweld, maar kunnen ook een andere oorzaak hebben. De psychische klachten zijn typerend voor het gestelde asielrelaas. Ter zitting hebben de psycholoog en arts van iMMO toegelicht dat er in het rapport wel degelijk een onderscheid wordt gemaakt tussen het gestelde misbruik in het land van herkomst en het misbruik tijdens de reis. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het iMMO-rapport aan de vereisten die in de jurisprudentie door de Afdeling worden gesteld aan een dergelijk deskundigenbericht. Gelet op de sterkte van de kwalificatie van iMMO voor wat betreft de mogelijkheden om consistent, coherent en compleet te verklaren en de psychische klachten van betrokkene, had de staatssecretaris het aanvullend asielmotief niet ongeloofwaardig kunnen achten zonder een medisch deskundige in te schakelen. Hoewel betrokkene volgens de IND vaag en summier verklaard heeft, is dat alleen niet voldoende om tot ongeloofwaardigheid te concluderen nu iMMO een sterk causaal verband heeft vastgesteld tussen de klachten en het gestelde relaas, aldus de rechtbank. Zijn verklaringen zijn bovendien niet tegenstrijdig of bevreemdingwekkend en passen in het algehele beeld van de situatie van het land van herkomst. Het IND-besluit is genomen in strijd met 3:46 Awb, het zorgvuldigheidsbeginsel. Om het gebrek te herstellen verzoekt de rechtbank de staatssecretaris een medisch deskundige in te schakelen en het besluit vervolgens nader te motiveren, dan wel een nieuw besluit te nemen. Ter verdere behandeling verwijst de rechtbank de zaak door naar een meervoudige kamer van dezelfde rechtbank.

De IND laat de rechtbank weten geen aanleiding te zien om gebruik te maken van de mogelijkheid het gebrek te herstellen. Wel betoogt de IND in een reactie dat niet kan worden uitgegaan van het iMMO-rapport. De rechtbank overweegt dat de reactiemogelijkheid voor de IND niet is bedoeld om nadere argumenten in te brengen. Indien de IND het oordeel van de rechtbank niet deelt, kan hij eventueel hiertegen hoger beroep instellen. Het gebrek is niet hersteld, dus kan de IND het aanvullend asielmotief niet ongeloofwaardig achten zonder een medisch deskundige in te schakelen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond.

Het door de IND ingestelde hoger beroep is met een verkorte motivering ongegrond verklaard. Dat betekent dat het oordeel van de rechtbank definitief is geworden. De IND kon daarop drie dingen doen: alsnog een vergunning verlenen, een medisch deskundige inschakelen of opnieuw de aanvraag afwijzen maar dan met een nadere motivering. De IND heeft er voor gekozen om aan betrokkene een verblijfsvergunning te verlenen en heeft aangegeven de kosten voor het iMMO onderzoek te zullen betalen.


Beroep gegrond MK Rechtbank Haarlem

Recent heeft in een andere zaak (NL18.1635) de Meervoudige Kamer (Rechtbank Haarlem) geoordeeld over de kritiek van de staatssecretaris dat het iMMO-rapport niet concludent en inzichtelijk tot stand was gekomen én dat iMMO niet had toegezien op het onderdelenvereiste.

De staatssecretaris bracht drie bezwaren in wat betreft de inzichtelijkheid van het rapport.
Ten eerste vond deze onduidelijk welke conclusie moet worden verbonden aan de stelling van iMMO dat het verklaarbaar is dat eiser slechts in vage bewoordingen kon verklaren over zijn bewustwordingsproces en zelfacceptatie als homoseksueel. iMMO bracht in dat de term ‘verklaarbaar’ is toegepast zoals gebruikelijk binnen de medische discipline. Als iets ‘verklaarbaar’ is dan betekent dat voor een medicus of psycholoog dat op basis van de medische bevindingen een sterke aanwijzing is gevonden voor de verklaring van klachten.
Ten tweede maakte de staatssecretaris bezwaar tegen de conclusie van iMMO dat er zeer sterke aanwijzingen waren dat bij betrokkene sprake zou zijn van beperkte cognitieve capaciteiten die van invloed konden zijn op het verklaren. De conclusie van iMMO was echter gebaseerd op uiteenlopende medische gegevens waarover iMMO beschikking had.
Ten derde opperde de staatssecretaris dat het gebruik van cannabis van invloed zou zijn geweest op het vermogen van betrokkene om te kunnen verklaren. iMMO had echter geconcludeerd dat er sprake was geweest van gering gebruik en van korte duur en dat uit andere medische stukken niet naar voren kwam dat betrokkene intensief gebruiker was. IMMO achtte de invloed van het cannabis gebruik daarom gering.

De rechtbank volgde de uitleg van iMMO op alle drie de punten en betrok hierbij dat in het iMMO-rapport uitgebreid wordt onderbouwd hoe op basis van de medische en de juridische gegevens, de conclusie wordt getrokken dat ten tijde van het nader gehoor sprake was van psychische problematiek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft iMMO de conclusies met veel medisch onderzoek onderbouwd. De rechtbank twijfelde niet aan de zorgvuldigheid waarmee het iMMO-onderzoek werd uitgevoerd.

Tenslotte beargumenteerde iMMO haar stelling dat het niet mogelijk is aan te wijzen op welke onderdelen iemand wel of niet kan verklaren met uitgebreide verwijzingen naar wetenschappelijke onderzoek en artikelen over psychische problematiek, de werking van het geheugen en het vermogen te kunnen verklaren. iMMO heeft in de leeswijzer en publicaties in de afgelopen jaren duidelijk proberen te maken dat de Afdeling met dit vereiste voor medici een vrijwel onuitvoerbare eis heeft gesteld.

In deze zaak was de rechtbank van oordeel dat het onderdelenvereiste niet altijd kan worden tegengeworpen en dat van geval tot geval moet worden bekeken of antwoord kan worden gegeven op de vraag op welke onderdelen van het asielrelaas de beperking van het vermogen om consistent en coherent te verklaren, invloed heeft gehad. De IND is niet in beroep gegaan en moet een nieuwe beslissing nemen.


Nieuwsbrief nr. 31, 10 december 2019

Martelingen in Indonesië van meer dan 70 jaar geleden

In deze nieuwsbrief een bijzondere casus met een civielrechtelijke uitspraak van het Hof d.d. 01-10-2019 (ECLI:NL:GDHA:2019:2525) waarin martelingen tijdens de koloniale oorlog in voormalig Nederlands-Indië bewezen worden geacht.

Betrokkene is een 91-jarige man uit Indonesië die in november 2013 in een interview van het actualiteitenprogramma ‘Altijd Wat’ vertelt hoe hij ten tijde van de Politionele Acties door het Nederlandse leger en het KNIL in 1947 opgepakt werd door Nederlanders en acht dagen in een suikerfabriek werd gemarteld door een Nederlandse militair, onder andere met stokslagen en stroomschokken.

Een stichting die de belangen behartigt van Indonesische burgerslachtoffers, spant namens betrokkene een civiele procedure aan tegen de Staat. De rechtbank verzoekt in deze procedure om een deskundigenrapport en vraagt iMMO te onderzoeken of de littekens van betrokkene het gevolg kunnen zijn van de door hem gestelde martelingen. Een week voordat betrokkene in Indonesië door de iMMO-rapporteur zal worden onderzocht, overlijdt betrokkene. Het onderzoek is daarom uitgevoerd op basis van het ter beschikking gestelde dossier, inclusief foto’s van het letsel, beelden van een skypegesprek en het interview.

De rapporteur benoemt in de rapportage twee belangrijke kanttekeningen: de uiteindelijke conclusie van het rapport is minder onderbouwd dan wanneer betrokkene lijfelijk onderzocht had kunnen worden. De tweede kanttekening betreft de lange tijdspanne van ongeveer 70 jaar tussen de gestelde martelingen en de beoordeling van de letsels, waarbij wordt opgemerkt dat de vastgestelde huidafwijkingen niet te dateren zijn behoudens dat deze langer dan twee jaar geleden zijn ontstaan.

De conclusie in het rapport luidt als volgt: De indeukingen van het schedeldak worden beoordeeld als consistent met geslagen te zijn op het achterhoofd met een hard smal voorwerp. Volgens betrokkene werd hij geslagen met een houten plank.

Het litteken op de rechterzijde van het hoofd komt sterk overeen met eerder door de onderzoeker beoordeelde letsels van sigaretverbrandingen in andere zaken. Gezien de overeenkomst hiervan met informatie over sigaretverbrandingen uit het Istanbul Protocol, én het ontbreken van aanwijzingen voor een mogelijk andere waarschijnlijke oorzaak wordt dit litteken beoordeeld als zeer consistent met het gestelde geweld, namelijk het uitdrukken van een brandende sigaret.

In het hoger beroep draagt de Staat in één van de grieven aan dat er onvoldoende bewijs zou zijn dat betrokkene bij ondervraging tijdens zijn Nederlandse gevangenschap is geslagen met een stuk hout noch dat een sigaret op zijn hoofd is uitgedrukt. In het burgerlijk procesrecht is het voor de civiele rechter voldoende om een redelijke mate van zekerheid te hebben dat het te bewijzen feit zich heeft voorgedaan. Het antwoord op de vraag of een feit in voldoende mate vaststaat, is uiteindelijk afhankelijk van de rechterlijke waardering en afweging van alle argumenten en bewijsmiddelen. Een uitzondering op de vrije bewijsleer is de partijgetuigenverklaring. Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat de getuigenverklaring van betrokkene de andere bewijzen aanvult.

Niet in geschil is dat in 1947 in de suikerfabriek in Kebon Agung Indonesiërs gevangen werden gehouden. Verder blijkt uit de beschikbare bronnen dat de specifieke martelmethoden waaraan betrokkene stelt te zijn onderworpen (waaronder slaan met een stuk hout en het uitdrukken van brandende sigaretten op het lichaam) destijds veelvuldig werden toegepast tijdens ondervragingen van gevangenen. Daarnaast is de getuigenverklaring van betrokkene in lijn met hetgeen hij tijdens het interview in 2013 heeft verklaard.

De Staat stelt echter dat er naast de getuigenverklaring van betrokkene geen ander bewijs is voor de stelling dat het slaan en het uitdrukken van een sigaret is gebeurd door Nederlandse militairen tijdens zijn gevangenschap in 1947.

Het Hof daarentegen vindt de bevindingen van de deskundige ten aanzien van het letsel van betrokkene van belang. Het Hof houdt rekening met de kanttekeningen die de deskundige bij het onderzoek heeft geplaatst en zegt: “Deze kanttekeningen laten onverlet dat de bevindingen van de deskundigen de stellingen van betrokkene eveneens ondersteunen. Dit laatste wordt niet anders doordat het deskundigenrapport de mogelijkheid van andere oorzaken van het letsel niet (geheel) uitsluit.”

De Staat merkt op dat zich sinds 1947 allerlei gebeurtenissen hebben voorgedaan die tot de littekens hebben kunnen leiden en dat er geen enkele aanwijzing is dat het letsel in 1947 is veroorzaakt. Maar het Hof zegt dat de Staat hier geen onderzoek naar gedaan heeft en er ook geen vragen over gesteld heeft tijdens de getuigenverhoren. Nader onderzoek naar wat er precies is gebeurd en door wie, met wie, had in een vroeg(er) stadium veel informatie kunnen opleveren. Het Hof stelt vast dat de Staat niet alles in het werk heeft gesteld om tot een zo goed mogelijke documentatie te komen en vindt dat de Staat nu niet kan volstaan met een blote betwisting. Het Hof verlangt dat de Staat in het licht van al het bewijs hierboven zijn tegenwerpingen meer handen en voeten geeft.

Met die uitspraak faalt deze grief van de Staat en heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de stellingen van betrokkene omtrent het slaan met een stok en het uitdrukken van een sigaret, bewezen zijn.

Wanneer we deze uitspraak bekijken in het licht van uitspraken in vreemdelingrechtelijke zaken valt het volgende op. Vaak komt in dossiers waarin een iMMO-rapportage is ingediend de opvatting van de IND naar voren dat de door iMMO genoemde gradaties van het Istanbul Protocol ruimte laten voor andere oorzaken en de IND om die reden geen nader medisch onderzoek zou hoeven doen.

Dat ook de lagere gradaties van het Istanbul Protocol bewijswaarde kunnen hebben, wordt bevestigd in de uitspraak van de ABRvS van 27 juni 2018. Hierin bevestigt de Afdeling het bestaande toetsingskader met betrekking tot het medisch steunbewijs. De Afdeling stelt dat voor de vraag of de staatssecretaris een eigen medisch onderzoek moet uitvoeren het van belang is hoe sterk de kwalificaties van de gradaties zijn. Dit betekent echter niet dat vereist is dat de gestelde gradaties geen ruimte laten voor andere oorzaken. In september deed rechtbank Zwolle bijvoorbeeld uitspraak dat de door iMMO gestelde gradaties weliswaar ruimte laten voor andere oorzaken maar dat daar om die reden alleen niet aan voorbij gegaan kan worden (NL 19.14380).

 

Nieuwsbrief nr. 30, 19 september 2019

Inzichtelijk en concludent

In deze nieuwsbrief een uitspraak die betrekking heeft op de kritiek van de IND dat de iMMO-rapportage niet inzichtelijk en concludent zou zijn. Daarbij gaat de IND enkel in op de invloed van beperkingen door psychische problematiek bij het verklaren tijdens de gehoren. Het betreft de uitspraak van de Rechtbank Haarlem (AWB 16/29902 – 16/29917) van 18 april 2019. De argumentatie van de IND is niet nieuw en ziet iMMO vaker terug sinds de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018 (zie iMMO-Nieuwsbrief nr. 27). Er ligt inmiddels al een flink aantal zaken bij de Afdeling waarin de staatssecretaris hoger beroep heeft ingesteld.

Op 18 april 2019 deed rechtbank Haarlem uitspraak in de zaak van een Afghaanse man. De man werkte als chauffeur en werd ontvoerd en mishandeld. Hij kon ontsnappen en vluchtte met zijn gezin.

Volgens de IND is bij het horen voldoende rekening gehouden met de door de FMMU geconstateerde beperkingen. Er werden extra pauzes ingelast wanneer gewenst en men hield rekening met forse emotionele reacties. De IND achtte het niet nodig om zelf een forensisch medisch onderzoek op te starten. Men vond de verklaringen van betrokkene ongeloofwaardig. De IND verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018 en stelt dan dat de iMMO-rapportage niet inzichtelijk en concludent is. De onderzoeker heeft volgens de IND niet inzichtelijk gemaakt waarom de psychische problematiek van betrokkene interfereerde met het vermogen om coherent, consistent en compleet te verklaren. De onderzoeker had ook moeten aangeven op welke onderdelen van het asielrelaas betrokkene niet goed kon verklaren. Daarnaast stelt de IND dat betrokkene noch op details noch op hoofdlijnen goed kon verklaren. De IND wijst daarbij op de Leeswijzer van iMMO. Men leest daarin dat het vermogen om niet coherent en consistent te verklaren enkel betrekking zou hebben op details.

De rechtbank merkt de iMMO-rapportage aan als deskundigenrapport en stelt vast dat iMMO uitvoerig psychiatrisch en psychodiagnostisch onderzoek heeft gedaan met anamnese en tests en dat iMMO alle relevante medische informatie heeft betrokken in zijn conclusie. Op concludente en inzichtelijke wijze heeft iMMO vervolgens gesteld dat de psychische problematiek van betrokkene tijdens de gehoren zeker interfereerde met het vermogen coherent en consistent te verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze beperking invloed op het gehele asielrelaas. Dat de IND tijdens het horen rekening heeft gehouden met beperkingen betekent niet dat betrokkene dus coherent, consistent en compleet kon verklaren. De rechtbank oordeelt, gezien de mate van psychisch medisch steunbewijs, dat de IND nader medisch onderzoek had kunnen doen. De rechtbank volgt de IND niet in het standpunt dat nader onderzoek niet nodig was omdat betrokkene op hoofdlijnen ongeloofwaardig verklaarde. De rechtbank vindt dat de tegenwerpingen van de IND juist zeer veel details betreffen. Bovendien veronderstelt de IND nogal veel, zo acht de rechtbank. Bij twijfel had de IND zelf nader medisch onderzoek moeten doen. De rechtbank veroordeelt de IND in de kosten van het iMMO-onderzoek en verklaart het beroep gegrond.

De IND stelde geen hoger beroep in, betrokkene heeft inmiddels een vergunning gekregen en de kosten van het iMMO-onderzoek zijn betaald.

 

Nieuwsbrief nr. 29, 26 juni 2019

Opnieuw een zaak waarin NIFP/NFI en iMMO rapporteerden

Betrokkene komt uit Ethiopië en behoort tot de Oromo. Hij stelt in detentie maandenlang te zijn gemarteld vanwege zijn Oromo afkomst, de politieke activiteiten van een familielid en zijn politieke activiteiten en overtuiging. Hij heeft lichamelijke en psychische klachten.

De IND twijfelt aan het relaas wat betreft arrestatie, detentie en de daarop volgende problemen maar heeft wel een Forensisch Medisch Onderzoek (FMO) opgestart bij het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie en het Nederlands Forensisch Instituut (NIFP/NFI). De twijfel aan de geloofwaardigheid in combinatie met de uitkomst van het NIFP/NFI-onderzoek maakt dat de IND de asielaanvraag toch afwijst.

In beroep heeft de vreemdeling een forensisch medisch onderzoeksrapport van iMMO ingebracht.

De meervoudige kamer van Rechtbank Den Bosch verklaart in mei 2019 het beroep van betrokkene gegrond en veroordeelt de IND in de kosten van het iMMO-onderzoek.

Het NFI onderzoekt volgens de Bayesiaanse methode. In zijn onderzoek concludeert het NFI dat de bevindingen bij lichamelijk onderzoek minder waarschijnlijk zijn onder hypothese I (de verklaring van betrokkene is onjuist) dan onder hypothese II (de verklaring van betrokkene is juist). Het NIFP stelt vast dat betrokkene last heeft van slaapproblemen maar dat andere symptomen van PTSS niet duidelijk naar voren kwamen tijdens onderzoek. De causale relatie tussen klachten en relaas duidt het NIFP met consistent. Gelet op de conclusies van het NFI is het voor het NIFP/NFI niet mogelijk een samenhang te beschrijven tussen fysieke en psychische klachten.

De arts van IMMO constateert en beoordeelt meer littekens dan het NFI en concludeert dat deze variëren van consistent tot zeer consistent. Het totaal van de littekens en lichamelijke klachten wordt door de verspreiding op het lichaam, de door betrokkene gegeven details van toeschrijving en de onderlinge samenhang beoordeeld als zeer consistent.

De psycholoog beoordeelt de psychische klachten van betrokkene als zeer consistent met het gestelde geweldsrelaas. iMMO concludeert dat er sprake is van samenhang tussen fysieke en psychische bevindingen die ondersteunend is voor de gebeurtenissen die betrokkene naar voren brengt in zijn asielrelaas.

De FMMU heeft geen beperkingen vastgesteld. Maar gezien het ontwikkelingsniveau van betrokkene, in combinatie met de klachten die zijn waargenomen door de huisarts concluderen de onderzoekers dat zijn psychische problematiek beperkingen geeft die tijdens gehoren zeer waarschijnlijk geïnterfereerd hebben met coherent, consistent en compleet verklaren.

De rapporteurs van het NIFP/NFI en iMMO zijn door de rechtbank opgeroepen als getuige-deskundigen en waren aanwezig op de zitting.

In de uitspraak gaat de rechtbank in op de beoordeling van het asielrelaas en stelt dan ten eerste vast dat de IND onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de IND het asielrelaas ongeloofwaardig acht.

Over mogelijke beperkingen bij het verklaren zegt de rechtbank dat de IND niet getwijfeld heeft aan het oordeel van de FMMU noch dat van iMMO. Daarmee staat vast dat uitgegaan kan worden van de verklaringen van betrokkene, waarbij er sprake was van beperkingen bij compleet, coherent en consistent verklaren.

Met betrekking tot het medisch steunbewijs stelt de rechtbank vast dat de onderzoeksvraag van het NIFP/NFI beperkter is dan die van iMMO, omdat deze niet ziet op een causaal verband tussen sporen en het asielrelaas als geheel zoals dat bij iMMO wel het geval is. Daarnaast gebruikt het NFI een andere onderzoeksmethode (Bayesiaanse model) dan iMMO (Istanbul Protocol).

De rechtbank vindt de vraagstelling en gradaties van iMMO eenvoudiger te hanteren bij de toetsing van de beoordeling van de geloofwaardigheid van het relaas dan de mate van waarschijnlijkheid uitgedrukt in hypothesen zoals het NFI doet. Dat betekent niet dat de conclusies van het NIFP/NFI van mindere kwaliteit of niet deugdelijk zouden zijn.

Een medisch deskundigenbericht moet zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent zijn. De rechtbank vindt de NFI-rapportage niet inzichtelijk omdat deze zich hoofdzakelijk baseert op de bevindingen van slechts een van de littekens. Het is de rechtbank niet duidelijk waarom niets over een causale relatie gezegd kan worden wanneer een litteken aspecifiek is. Bij deze wijze van onderzoek zou enkel letsel dat eenduidig veroorzaakt wordt door het gestelde relaas bewijswaarde hebben terwijl de asielzoeker zijn relaas niet hoeft te bewijzen, maar aannemelijk moet maken.

De rechtbank redeneert verder dat de IND miskent dat aan medisch steunbewijs ook waarde toekomt als andere oorzaken mogelijk zijn. Ook geringe bewijswaarde dient te worden meegewogen in de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling en niet buiten beschouwing te worden gelaten. Opnieuw constateert de rechtbank daarom een motiveringsgebrek bij de IND: wanneer de medische bevindingen geen bewijswaarde hebben, betekent dat niet dat het relaas ongeloofwaardig is.

De IND heeft het iMMO-rapport buiten beschouwing gelaten en aan de hand van het NIFP/NFI-rapport alsnog tot ongeloofwaardigheid geconcludeerd. De conclusies van het NIFP/NFI-rapport en het iMMO-rapport zijn echter niet met elkaar in tegenspraak, constateert de rechtbank. De IND heeft niet gesteld dat de iMMO-rapportage niet zorgvuldig is opgesteld, dan wel niet inzichtelijk of concludent zou zijn. De IND moet in zijn beoordeling dus uitgaan van alle onderzoeksbevindingen van alle deskundigen, voor zover deze niet met elkaar in tegenspraak zijn of zijn weerlegd met een contra-expertise. Enkel punten van kritiek kunnen niet gelden als contra-expertise of concrete aanknopingspunten voor twijfel.

De IND heeft geen hoger beroep ingediend.

Nieuwsbrief nr. 28, 18 maart 2019

Vervolg: NIFP/NFI en iMMO rapporteerden in dezelfde zaak

In nieuwsbrief 26 van 26 juni 2018 deed iMMO verslag van een dossier waarin zowel het NIFP/NFI als iMMO rapporteerden. Deskundigen van beide partijen waren opgeroepen bij een zitting van de rechtbank Rotterdam in oktober 2017 (Awb 16/24920). De rechtbank verklaarde het beroep van cliënt op 6 maart 2018 gegrond (ECLI:NL:RBROT:2018:10923), waarop de IND in hoger beroep ging. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde onlangs het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond (RvS 201802796/1/V2).

Onderstaand nogmaals kort hoe de procedure verlopen is en het standpunt van de rechtbank Rotterdam:

Een man uit Soedan werkt voor een NGO en wordt door de veiligheidsdienst gearresteerd en zwaar mishandeld. Bij een tweede poging hem aan te houden weet hij te vluchten. De IND vindt een deel van zijn relaas ongeloofwaardig en schakelt het NIFP/NFI in voor een forensisch medisch onderzoek naar zijn littekens en psychische klachten.

Het NFI (Nederlands Forensisch Instituut) concludeert in het onderzoeksrapport dat de bevindingen bij lichamelijk onderzoek even waarschijnlijk zijn onder hypothese I (de verklaring van betrokkene is juist) als onder hypothese II (de verklaring van betrokkene is onjuist). Het NIFP (Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie) concludeert dat er niet gesproken kan worden van een PTSS of een psychiatrische diagnose maar dat er wel klachten aanwezig zijn die zouden kunnen leiden tot een PTSS.

De IND concludeert met de NIFP/NFI-rapportage dat er geen causale relatie bewezen is tussen de lichamelijke en geestelijke schade en het gestelde geweldsrelaas en vindt mede daarom het relaas alsnog ongeloofwaardig. De advocaat vraagt daarop bij iMMO om een forensisch medisch onderzoek. In de rapportage van iMMO concludeert de arts dat de littekens en fysieke klachten volgens een overall beoordeling van het Istanbul Protocol (§188) zeer consistent zijn met het gestelde geweldsrelaas en de psycholoog concludeert dat de psychische klachten typerend zijn voor het gestelde geweldsrelaas.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat de conclusies van de deskundigen van iMMO en van het NIFP/NFI niet met elkaar in tegenspraak zijn. De rechtbank vindt de conclusies van iMMO alleen verderstrekkend. Dat de gradaties die iMMO geeft aan de littekens en psychische klachten ruimte laten voor andere oorzaken betekent niet dat de conclusies van het iMMO-rapport van geen waarde zijn. Daarnaast merkt de rechtbank op dat de IND de conclusies van het NIFP/NFI stringenter uitlegt dan deze door het NIFP/NFI zijn geformuleerd. De rechtbank concludeert tenslotte dat de IND onvoldoende gemotiveerd heeft waarom het asielrelaas ongeloofwaardig is geacht en veroordeelt de IND tot het vergoeden van de kosten van het opstellen van het iMMO-rapport.

De Afdeling is niet ingegaan op de inhoud van beide forensisch medische rapportages en heeft het hoger beroep van de IND kennelijk ongegrond verklaard.

 

Nieuwsbrief nr. 27, 10 december 2018

Afdelingsuitspraak over FMMU en iMMO

Op 27 juni 2018 deed de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) uitspraak in een drietal zaken (201607367/1/V2, 201607370/1/V2, 201703047/1/V2) over de vraag welk gewicht toekomt aan een FMMU-advies en aan een iMMO-rapportage. Het toetsingskader dat tot dan toe gehanteerd werd (ECLI:NL:RVS:2015:1783) hield in dat de IND uit mocht gaan van de verklaringen tijdens het gehoor, wanneer rekening werd gehouden met het FMMU-advies en als een betrokkene niet onmiskenbaar niet in staat was te verklaren. De Afdeling wijzigt nu dit beoordelingskader.

Wanneer een asielzoeker een iMMO-rapport heeft ingebracht dat zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is, moet de staatssecretaris de conclusie uit dit rapport betrekken bij zijn beoordeling. Is in het iMMO-rapport gesteld dat de psychische problematiek ten tijde van de gehoren zeer waarschijnlijk of zeker interfereerde met het vermogen om consistent en coherent te verklaren, dan kan de staatssecretaris hieraan niet voorbijgaan zonder zelf een medisch deskundige te raadplegen. De Afdeling houdt niet langer vast aan de stelling dat aan de conclusie van iMMO over coherent, consistent en compleet verklaren geen gewicht toe komt wegens het tijdsverloop tussen moment van onderzoek door de FMMU (vlak voor de gehoren) en het moment van onderzoek door iMMO. De iMMO-rapportage moet dan nog wel aan drie eisen voldoen:

  • Het iMMO-rapport moet vermelden welke medische gegevens uit de periode van de gehoren zijn betrokken in de beoordeling.
  • Uit het iMMO-rapport moet blijken op welke onderdelen van het asielrelaas de beperking van het vermogen om consistent en coherent te verklaren, invloed heeft gehad.
  • Tot slot moet uit het rapport blijken dat de conclusie omtrent het vermogen te verklaren niet gebaseerd is op de aanname dat de gebeurtenissen waardoor de vreemdeling stelt psychische problemen te hebben gekregen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.

Schakelt de staatssecretaris geen medisch deskundige in en bestrijdt hij de in het iMMO-rapport neergelegde conclusie niet maar vindt hij het relaas toch ongeloofwaardig, dan moet de staatssecretaris motiveren waarom dit het geval is. Met betrekking tot de rol van het medisch steunbewijs handhaaft de Afdeling het bestaande beoordelingskader (ECLI:RVS:2014:600).

De Afdeling spreekt zich ook uit over het FMMU-advies en beperkingen bij het horen. Psychische klachten die van invloed kunnen zijn op het vermogen consistent, coherent en compleet te verklaren, moeten meteen in het dossier worden vastgelegd. De verpleegkundige van de FMMU moet in voorkomende gevallen een arts, psycholoog of psychiater inschakelen. Daarnaast wordt van de gehoorambtenaar verwacht dat hij tijdens de gehoren rekening houdt met de geconstateerde beperkingen en alert blijft op signalen dat iemand niet in staat is zijn asielrelaas naar voren te brengen of vragen daarover te beantwoorden. Wordt hieraan voldaan dan kan de IND uitgaan van de door een betrokkene tijdens de gehoren afgelegde verklaringen.

Een uitspraak van de Afdeling van 29 oktober 2018 (RvS 201801030/1/V2) laat dan zien dat pas later in de procedure ingebrachte medische stukken van behandelaren die al voor de gehoren beschikbaar waren, niet meer meegenomen worden in de beoordeling of uitgegaan mocht worden van de verklaringen in het gehoor (in dit dossier was overigens geen sprake van een ingediende iMMO-rapportage).

Het is dus van belang dat een advocaat medische stukken zo vroeg mogelijk in de procedure inbrengt. Dan kan zowel bij de FMMU als tijdens het horen rekening worden gehouden met klachten en daaruit voortvloeiende beperkingen. Dat kunnen medische stukken van behandelaren zijn maar ook bijvoorbeeld stukken van het GZA/de huisarts, de GGZ-consulent of een iMMO-signaleringslijst. Daarnaast lijkt het van belang goed de gehoren te analyseren of daadwerkelijk voldoende rekening gehouden is met mogelijke beperkingen, naast het aanbieden van pauzes en een glaasje water.

Sinds de Afdelingsuitspraak van eind juni ziet iMMO dat de IND herhaaldelijk in zijn verweer- dan wel hoger beroepschrift aanhaalt dat een iMMO-rapportage niet aan de door de Afdeling gestelde eisen voldoet. Zo verwijt de IND dat iMMO uitgaat van het relaas van de asielzoeker. Ook vindt de IND dat uit een rapportage niet blijkt op welke onderdelen van het relaas het niet kunnen verklaren van invloed is geweest. Of stelt de IND dat iemand op details misschien niet kon verklaren maar dat tenminste wel op hoofdlijnen had moeten doen.

iMMO weerlegt dit als volgt: een forensisch medisch onderzoeker is een medische professional die uitgaat van de medische bevindingen die het onderzoek oplevert, waarna hij nagaat in hoeverre zijn bevindingen correleren met het gestelde asielrelaas van betrokkene. Dit betekent dat de onderzoeker niet uitgaat van het verhaal van betrokkene, maar van zijn geobjectiveerde medische bevindingen.

Met betrekking tot het vermogen te verklaren is het belangrijk om stil te staan bij de functie van het geheugen. Om compleet, coherent en consistent te kunnen verklaren, moet iemand een beroep doen op herinneringen die opgeslagen zijn in het geheugen. De vraag is ‘hoe worden gebeurtenissen opgeslagen’ en ‘is men in staat om herinneringen aan de gebeurtenissen op de juiste tijd en op de juiste wijze weer op te roepen’?
Het ondergaan van traumatische gebeurtenissen is van invloed op de opslag van feitelijke gegevens. De gebeurtenissen worden in losse flarden, ‘snapshots’ opgeslagen. Ze vormen geen verhaal en worden niet goed in de tijd opgeslagen, waardoor de chronologie ontbreekt. Deze herinneringen zijn moeilijk bij te stellen. Ze worden getriggerd door associaties met het hier en nu en komen onvrijwillig. Doordat de informatie gefragmenteerd opgeslagen wordt is het onmogelijk deze informatie compleet, coherent en consistent terug te halen.
Verder is een herinnering niet de opslag in het geheugen van de oorspronkelijke gebeurtenis maar de opslag van de laatste keer dat er over deze gebeurtenis gesproken is. Een levend document dus dat kan veranderen onder invloed van veranderende informatie en omstandigheden. Op verschillende momenten herinneren mensen zich meer of minder details en worden verschillende herinneringen opgeroepen.

Er zijn nog andere factoren die een rol kunnen spelen bij het (niet) vertellen over gebeurtenissen. Bijvoorbeeld de mate van vertrouwen die iemand heeft in diegene met wie gesproken wordt, of de mate van schuld- en schaamtegevoelens over meegemaakte gebeurtenissen. Uit veel wetenschappelijk onderzoek blijkt hoe bijvoorbeeld seksueel geweld gepaard kan gaan met gevoelens van schaamte, schuld en vermijding, waarbij ook culturele opvattingen en angst voor stigma en uitsluiting een rol kunnen spelen.
Ook factoren als een jonge leeftijd, beperkte intellectuele vermogens, autisme, schizofrenie, hersenletsel, of het hebben gehad van zuurstoftekort kunnen van invloed zijn.

Wetenschappelijke artikelen laten zien dat psychische problematiek zich niet slechts beperkt tot bepaalde gedeelten van het geheugen maar het gehele geheugen en het functioneren van een persoon aantast. Het idee dat alleen herinneringen aan details door beperkingen zijn aangedaan en dat iemand wel altijd op hoofdlijnen moet kunnen verklaren, is dan ook te ongenuanceerd. Bovendien is niet altijd duidelijk wat hoofdlijnen zijn en wat details. Dat kan niet door anderen dan de betrokkene worden bepaald. Dit komt terug in paragraaf 143 van het Istanbul Protocol: “…although the individual may not be able to provide the details desired by the investigator, such as dates, times, frequencies and exact identities of perpetrators, a broad outline, of the traumatic events and torture will emerge and stand up over time”.

Uitspraken doen over wat iemand wel of niet moet kunnen verklaren is dus onaanvaardbaar. Dit betekent dat het vanuit wetenschappelijk oogpunt onmogelijk is te voldoen aan de eis van de ABRvS, altijd aan te moeten geven op welke onderdelen van het asielrelaas de beperking van het vermogen om compleet, consistent en coherent te verklaren invloed heeft gehad.

Nieuwsbrief nr. 26, 26 juni 2018

NIFP/NFI en iMMO rapporteerden in dezelfde zaak

Op 30 oktober 2017 waren zowel deskundigen van iMMO als van het NIFP/NFI opgeroepen bij een zitting van de Rechtbank Rotterdam (Awb 16/24920). Op 6 maart 2018 deed de rechtbank uitspraak in deze zaak: het beroep van de asielzoeker werd gegrond verklaard. Daarop is de IND in hoger beroep gegaan.

Een man die als psycholoog werkt voor een NGO wordt door de veiligheidsdienst gearresteerd en zwaar mishandeld omdat hij kritische rapporten schrijft over die dienst. Bij een tweede poging hem aan te houden weet hij te vluchten.

De IND vindt een deel van zijn relaas ongeloofwaardig en schakelt na de zienswijze, waarin de advocaat aandringt op medisch onderzoek naar de littekens en psychische klachten, het NIFP/NFI in voor het doen van een forensisch medisch onderzoek. Het NFI (Nederlands Forensisch Instituut) doet onderzoek volgens de Bayesiaanse methode. De rapporteur concludeert in het onderzoeksrapport dat de bevindingen bij lichamelijk onderzoek even waarschijnlijk zijn onder hypothese I (de verklaring van betrokkene is juist) als onder hypothese II (de verklaring van betrokkene is onjuist). Ter zitting licht de deskundige van het NFI nogmaals toe dat de hypothese zowel juist als niet juist kan zijn. Het NIFP (Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie) concludeert in zijn rapport dat er niet gesproken kan worden van een PTSS of een psychiatrische diagnose maar dat er wel klachten aanwezig zijn die zouden kunnen leiden tot een PTSS. Er kan geen uitspraak worden gedaan over causaliteit tussen relaas en het psychische onderzoek. Maar de afwezigheid van PTSS of andere psychiatrie, en ook de afwezigheid van specifieke fysieke sporen sluiten niet uit dat er trauma door marteling is geweest.

De IND concludeert dat hiermee geen causale relatie bewezen is tussen de lichamelijke en geestelijke schade en het gestelde geweldsrelaas en vindt mede daarom het relaas alsnog ongeloofwaardig.

De advocaat vraagt daarop aan iMMO een second opinion. Uit de rapportage van iMMO volgt dat de littekens en fysieke klachten volgens een overall beoordeling van het Istanbul Protocol (§188) ‘zeer consistent’ zijn met het gestelde geweldsrelaas en dat de psychische klachten typerend zijn voor het gestelde geweldsrelaas.

De rechtbank stelt vast dat de conclusies van de deskundigen van iMMO en van het NIFP/NFI niet met elkaar in tegenspraak zijn. De conclusies van iMMO zijn alleen verderstrekkend vindt de rechtbank. Dat de gradaties die iMMO geeft aan littekens of psychische klachten ruimte laten voor andere oorzaken betekent niet dat de conclusies van het iMMO-rapport van geen waarde zijn. Daarnaast merkt de rechtbank op dat de IND de conclusies van het NIFP/NFI stringenter uitlegt dan deze door het NFI/NIFP zijn geformuleerd. Gezien bovenstaande concludeert de rechtbank tenslotte dat de IND onvoldoende gemotiveerd heeft waarom dat deel van het asielrelaas ongeloofwaardig is geacht en veroordeelt de IND tot het vergoeden van de kosten van het opstellen van het iMMO-rapport.

Nieuwsbrief nr. 25, 12 december 2017

Bijdrage van een medisch onderzoek in de geloofwaardigheidsbeoordeling (II)

Opnieuw doet een rechtbank een duidelijke uitspraak over de rol van een forensisch medisch onderzoek in de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling – zie ook Nieuwsbrief 24, 24 maart 2017, ‘De bijdrage van een medisch onderzoek in de geloofwaardigheidsbeoordeling’ (I).

Rechtbank Arnhem doet op 15 maart 2017 uitspraak in de zaak van een jonge Afghaanse asielzoeker (Awb 16/18554) die slachtoffer werd van het fenomeen Bacha Bazi, een vorm van kinderprostitutie in Afghanistan waar minderjarige jongens als dansjongen moeten optreden en (vaak) seksueel misbruikt worden. De rechter verklaart het beroep gegrond. De staatssecretaris dient hoger beroep in.

De Forensisch Medische Maatschappij Utrecht (FMMU) meldde in zijn advies geen littekens en geen beperkingen voor het horen en beslissen. Er was geen huisartseninformatie beschikbaar. Door de voogd van Nidos werd ten tijde van de AA-procedure, wel een signaleringslijst ingevuld. Daaruit bleek onder andere dat betrokkene gespannen is, snel schrikt, veel huilt, nachtmerries heeft en slecht slaapt.
De advocaat verzocht om een forensisch medisch onderzoek in het kader van Art. 18 (herziene) PRi 2013/32/EU maar dat vond de IND niet nodig. Er werden immers geen beperkingen noch littekens geconstateerd door de FMMU. Betrokkene werd wel aanvullend gehoord. De IND vond het relaas echter ongeloofwaardig en wees de aanvraag af.

Met betrekking tot de forensisch medische rapportage van iMMO stelt de rechtbank vast dat deze zorgvuldig, concludent en inzichtelijk is. Het rapport is opgesteld door een deskundige (klinisch psycholoog/psychotherapeut) en is meegelezen door een iMMO-staflid (GZ-psycholoog). Ook is in de rapportage uitgebreid gemotiveerd hoe tot de conclusies is gekomen. Bovendien heeft de IND geen eigen deskundigenrapport overgelegd.

Gelet op de conclusies uit het iMMO-rapport zegt de rechtbank dat niet op voorhand uitgesloten is dat de vage, bevreemdingwekkende en summiere verklaringen in verband staan met de psychische problematiek van betrokkene, waarbij dit hem niet langer kan worden tegengeworpen. Hoewel de IND zegt dat de conclusie (typerend, zie § 187 IP) op de vraag in welke mate de psychische klachten te relateren zijn aan het asielrelaas, ruimte laat voor andere oorzaken, wijst de rechtbank op de conclusie van iMMO dat de psychische problematiek ten tijde van de gehoren zeer waarschijnlijk interfereerde met het doen van een coherent, consistent en compleet relaas. De rechtbank neemt aan dat er daarom een grote mate van zekerheid is dat de psychische problemen interfereerden bij het verklaren. Daarbij heeft de IND geen medisch onderbouwde aanknopingspunten geplaatst die aan deze conclusie kunnen afdoen. De IND verwijst weliswaar naar het onderzoek van de FMMU, voorafgaand aan de gehoren, maar dat vindt de rechter onvoldoende. Daar waar de IND erop wijst dat het  iMMO-rapport een jaar na de gehoren is opgemaakt, stelt de rechtbank dat iMMO in de rapportage expliciet de medische toestand ten tijde van de gehoren beschrijft.

Met het iMMO-rapport ligt er een deskundigenbericht dat bevestigt dat betrokkene ten tijde van de gehoren niet in staat was coherent, consistent en compleet te verklaren. De IND heeft betrokkene ten onrechte tegengeworpen dat hij vaag, summier, bevreemdingwekkend en tegenstrijdig verklaarde. De IND had dit bij de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling moeten betrekken dan wel zelf hier onderzoek naar moeten doen.

Nieuwsbrief nr. 24, 24 maart 2017

De bijdrage van een medisch onderzoek in de geloofwaardigheidsbeoordeling (I)

Betrokkene is een jonge man uit een Noord-Afrikaans land. Hij wordt opgepakt door de veiligheidsdienst en een maand in detentie gehouden. Hij wordt dagelijks gemarteld om informatie los te krijgen over mogelijk activiteiten voor de oppositie. Hij wordt onder andere geschopt, geslagen en krijgt stroomstoten. Wanneer hij wordt vrijgelaten besluit betrokkene te vluchten, uit angst opnieuw opgepakt en vermoord te worden. Hij reist via Libië en Italië en vraagt in Nederland asiel aan.

Het FMMU-dossier meldt geen psychische of lichamelijke klachten en geen littekens. Er zijn geen beperkingen voor het horen. In het nader gehoor vertelt betrokkene echter dat hij veel en ernstig gemarteld is. In de correcties en aanvullingen op het nader gehoor benoemt de advocaat dat betrokkene littekens heeft gerelateerd aan het relaas en vraagt de IND om een medisch onderzoek dat niet wordt toegekend.

Enkele weken daarna vult de advocaat een Signaleringslijst(*1) in. Daarin observeert de advocaat dat betrokkene gespannen en afwezig is. Ook meldt betrokkene klachten die hij niet eerder durfde te melden zoals moeite met slapen, nachtmerries, neerslachtigheid, braakgevoelens, het gevoel om te stikken, etc.

De advocaat vraagt dan een medisch onderzoek bij iMMO aan. Gezien de hoeveelheid martelingen vindt iMMO een forensisch medisch onderzoek conform art. 18 herziene EU-procedurerichtlijn (2013/32/EU) geïndiceerd.

De IND vindt het asielrelaas echter dermate ongeloofwaardig dat een medisch onderzoek op voorhand niet relevant wordt geacht. In het voornemen wordt betrokkene onder andere tegengeworpen dat degenen die hem martelden niet een gezamenlijke strategie hanteerden. iMMO weet uit de vele verrichte onderzoeken en de beschikbare literatuur over de gevolgen van martelingen dat folteraars vaak  onberekenbare boodschappen aan slachtoffers geven. Dit past bij het in verwarring brengen van het slachtoffer en kan onderdeel zijn van het patroon van (psychische) marteling en intimidatie. En hoewel een iMMO-onderzoek kan helpen om het slachtofferschap van ernstige mensenrechtenschendingen medisch te onderbouwen, wil de IND niet wachten op het door iMMO toegezegde onderzoek.

Tijdens het iMMO-onderzoek blijkt dat betrokkene meerdere littekens op zijn lichaam heeft waarvan hij zegt dat deze zijn ontstaan door het geweld tijdens detentie. Deze littekens worden door iMMO onderzocht, beschreven en geëvalueerd volgens het Istanbul Protocol. iMMO concludeert dat de littekens consistent zijn met het geweldsrelaas.
Uit de anamnese, het psychiatrisch onderzoek en het psychodiagnostisch onderzoek komt naar voren dat betrokkene klachten heeft die passen bij een PTSS (Post Traumatische Stress Stoornis) conform DSM-IV-TR. Het gaat dan met name om herbelevingen van traumatische gebeurtenissen, verhoogde prikkelbaarheid (o.a. lichamelijke onrust) en vermijding (o.a. niet willen praten over de gebeurtenissen). Betrokkene heeft daarnaast last van psychosomatische klachten, concentratie- en geheugenproblemen, een sombere stemming, negatieve en suïcidale gedachten. iMMO concludeert dat de psychische problematiek ‘typerend’ is voor het gestelde asielrelaas zoals dat ten grondslag ligt aan de asielaanvraag.

Met betrekking tot het vermogen om te verklaren concludeert iMMO dat de psychische problematiek op dit moment zeker interfereert met het compleet, coherent en consistent verklaren over het asielrelaas. Uit het FMMU-dossier blijken geen beperkingen maar ook niet hoe men tot die conclusie kwam nu er weinig tot niets staat ingevuld. Uit het medisch dossier van het GCA blijken aanwijzingen dat er destijds al psychische problematiek was. iMMO concludeert dat de problematiek ten tijde van de asielgehoren zeer waarschijnlijk interfereerde met het compleet, coherent en consistent verklaren.

Het iMMO-rapport is nog net niet klaar voor de zitting plaatsvindt en de rechtbank wil de zitting niet uitstellen. Echter, omdat er geen geschikte tolk is op de dag van de zitting, kan de iMMO-rapportage alsnog tijdens de beroepsprocedure worden ingediend.

In reactie op de iMMO-rapportage meldt de IND dat iMMO met betrekking tot de littekens slechts de gradatie consistent constateert – de IND vindt dat de littekens weinig specifiek zijn. Wat betreft de psychische klachten is iMMO uitgegaan van het subjectieve verhaal van betrokkene. Dat het fysieke en psychische  medisch steunbewijs sterk van aard zou zijn, vindt de IND dan ook niet inzichtelijk noch concludent.

Rechtbank Middelburg stelt in haar uitspraak (Awb 16/7625) vast dat betrokkene een aantal overtuigende documenten heeft overgelegd met betrekking tot zijn relaas en achtergrondinformatie over willekeurige arrestaties en detentie in zijn land van herkomst. De rechter vindt dat de IND de ongeloofwaardigheid niet deugdelijk gemotiveerd heeft.
Daarna merkt de rechtbank op dat het FMMU-rapport niets meldt over littekens en dat er geen beperkingen waren voor het horen, maar dat het niet duidelijk is of betrokkene bij de FMMU nu wel of niet iets heeft verklaard over zijn littekens.
De rechtbank ziet vervolgens dat de IND de iMMO-rapportage niet betrokken heeft bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Als er ‘slechts’ consistente littekens zijn, betekent dat niet dat de IND geen eigen onderzoek hoeft te doen. Wat betreft de psychische klachten is er door iMMO een sterkere conclusie getrokken, namelijk ‘typerend’. Bovendien stelt iMMO vast dat er beperkingen waren bij het horen.
De rechtbank vindt in het licht van de Afdelingsuitspraak d.d. 31 juli 2013 (ECLI:NL:RVS: 2013:621) en d.d. 19 februari 2014 (ECLI:NL:RVS: 201:600) en Werkinstructie 2016/4 (over het Forensisch Medisch Onderzoek naar steunbewijs) dat de IND nader onderzoek had moeten laten doen.

De rechtbank verklaart het beroep van de asielzoeker gegrond en veroordeelt de IND in de kosten van het iMMO-onderzoek. De staatssecretaris heeft geen hoger beroep aangetekend.

(*1)
De Signaleringslijst is een hulpmiddel bij de signalering van lichamelijke en psychische klachten bedoeld voor niet-medici, als rechtsbijstandverleners en vluchtelingenwerkers. Het eerste gedeelte heeft betrekking op observeerbaar gedrag van de asielzoeker. Het tweede gedeelte betreft vragen die aan de betreffende persoon worden gesteld. Advocaten kunnen met behulp van de Signaleringslijst gesignaleerde littekens en lichamelijke klachten en/of psychische problemen overleggen in de procedure. In het kader van het bepalen van mogelijke indicaties voor het doen van forensisch medisch onderzoek, is het belangrijk dat littekens, lichamelijke klachten en psychische problemen die volgens een asielzoeker voortkomen uit ondergaan geweld, vroegtijdig gedocumenteerd worden.

 

Nieuwsbrief nr. 23, 9 december 2016

Vervolg casus ‘Beperkingen & Werkinstructie 2010/13’
uit Nieuwsbrief 22, 23 september 2016

In deze vervolgzaak gaat het om de erkenning  van psychische klachten tijdens het horen. De IND dient tot twee keer toe hoger beroep in na een gegrond beroep.

Betrokkene is een jonge man uit Afrika die werkt als lijfwacht voor een kennis van de zittende president. Na de verkiezingen breekt er oorlog uit en wordt overal gevochten. Betrokkene hoort dat de politie hem zoekt, hij duikt onder en vlucht het land uit.

De IND vindt dat betrokkene wisselend, summier en vaag heeft verklaard. Uit de iMMO-rapportage blijkt dat er sprake is van een getraumatiseerde man met PTSS en depressieve klachten. Een extra belemmerende factor is zijn zeer lage intelligentie waardoor hij veel moeite heeft met data, details en met het beantwoorden van abstracte vragen. Zijn ontwikkelingsniveau is ongeveer vergelijkbaar met dat van een 7-jarig kind.

De zaak spitste zich bij de rechtbank en de Afdeling in eerste instantie toe op de vraag in hoeverre de vastgestelde beperkingen een rol spelen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft inmiddels – voor een tweede keer – uitspraak gedaan (RvS 201605668/1/V2) in het hoger beroep dat de staatssecretaris aantekende tegen de uitspraak van rechtbank Haarlem d.d.19 juli 2016 (Awb 15/15863). Het gaat daarbij om de weging van beperkingen en de betekenis die toekomt aan de conclusies van een iMMO-rapportage bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas.

De Afdeling overweegt nu dat hoewel er psychische en cognitieve beperkingen zijn, de vreemdeling toch in staat had moeten zijn om eenvoudige en basale informatie te verschaffen over de gebeurtenissen die maakten dat hij vluchtte.
De Afdeling overweegt tevens dat iMMO uitgaat van het verhaal van de asielzoeker zelf, niet aan een geloofwaardigheidsbeoordeling doet en dat het relaas geen objectieve informatie is. Daarnaast constateert de iMMO-rapportage dat de ‘typerende’ psychische klachten mede ontstaan zijn door een moeilijke jeugd en niet slechts door de gebeurtenissen die tot het vertrek hebben geleid. De iMMO-rapportage biedt daarom geen grond voor een ander oordeel over de geloofwaardigheid.

iMMO observeert steeds vaker dat niet-medici een onderscheid maken tussen wat iemand wel en wat iemand niet zou moeten kunnen verklaren. iMMO heeft moeite met de ontwikkeling dat hiermee onjuiste uitspraken over de werking van het geheugen worden gedaan.
Uit wetenschappelijk onderzoek naar de werking van het geheugen blijkt dat herinneringen niet blijvend of consistent zijn. Ons geheugen is niet compleet, coherent of stabiel. En al helemaal niet bij getraumatiseerden of mensen met cognitieve beperkingen.
Stellige uitspraken over wat mensen wel en niet zouden moeten kunnen verklaren, is met de beschikbare medische kennis over de werking van het geheugen en de concentratie niet mogelijk. ,Dat dit in asielprocedures wel gebeurt, vindt iMMO zorgwekkend en onaanvaardbaar.

De relevantie van een Forensisch Medisch Onderzoek conform artikel 18 Procedurerichtlijn (Pri) 2013/32/EU

In deze zaak gaat het om een jonge Tamil uit Sri Lanka. De LTTE (Liberation Tigers of Tamil Eelam) eiste deelnemers voor hun strijdkrachten op. Men nam eerst de vader van het gezin mee. Daarna betrokkene. Toen zijn broer zich meldde, kwam betrokkene weer vrij. Maar nadat de broer van betrokkene ontsnapte en onderdook, kreeg betrokkene diens dagelijkse meldplicht – met gepaard gaande mishandelingen – opgelegd. Na een aantal maanden is betrokkene naar Nederland gevlucht. Lees verder.

In het advies horen en beslissen van de FMMU worden geen beperkingen genoemd en er wordt geen zichtbaar letsel gezien. In het medisch dossier behorend bij het advies wordt op het voorblad opgemerkt dat betrokkene angstig en nerveus is. Vervolgens is het vakje ‘psychiatrie’ wel aangevinkt, maar wordt niet aangegeven waar de psychiatrische klachten uit bestaan. Hoe de FMMU dan toch tot het oordeel ‘geen beperkingen’ komt, wordt niet medisch onderbouwd.

In het medisch dossier van de GC A-huisarts wordt enige tijd na de gehoren melding gemaakt van klachten zoals slaapproblemen, piekeren, nachtmerries en eenzaamheid. Betrokkene wordt verwezen naar de GGZ. Zowel in het eerste als in het nader gehoor meldt betrokkene vergeetachtigheid en dat hij kan schrikken van onverwachte geluiden.

De advocaat meldt in haar zienswijze dat betrokkene lichamelijke en psychische klachten heeft en onderbouwt dit met de opmerkingen uit de gehoren, het GC A-dossier en de stukken van de FMMU. Ook doet ze een beroep op IND Werkinstructie 2010/13 en vraagt ze de IND om een forensisch medisch onderzoek conform artikel 18 van de Procedurerichtlijn 2013/32/EU.

In een uitgebreide beschikking motiveert de IND waarom betrokkene vaag, summier, tegenstrijdig en ongerijmd heeft verklaard. De IND vindt het asielverhaal ongeloofwaardig. iMMO zegt na de beschikking een medisch onderzoek toe naar de psychische en lichamelijke klachten en littekens. Maar nog voor de iMMO-rapportage klaar is, vindt een zitting plaats en doet rechtbank Den Haag uitspraak (Awb 16/5682 d.d. 7 september 2016).

De rechtbank stelt vast dat de FMMU in de door betrokkene gemelde klachten blijkbaar geen aanleiding zag beperkingen voor het horen vast te stellen. Bij aanvang van de gehoren meldde betrokkene medische klachten maar vond hij zelf dat hij wel in staat was gehoord te worden. Ook achteraf had hij geen op- of aanmerkingen. En hoewel er uit het medisch dossier van de huisarts klachten blijken, is dit onvoldoende om aan te nemen dat betrokkene ten tijde van de gehoren niet of verminderd in staat was details en data te herinneren aangaande zijn asielrelaas. De rechtbank voegt er nog aan toe dat gezien bovenstaande overwegingen, de stelling dat betrokkene wegens zijn trauma geheugenproblemen heeft en dientengevolge niet goed zou hebben kunnen verklaren niet gevolgd kan worden. De rechter ziet dan ook geen aanleiding de zaak aan te houden in afwachting van het medisch rapport van iMMO.

Vervolgens overweegt de rechtbank dat een medisch onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Procedurerichtlijn niet ziet op de mogelijkheid tot een medisch onderzoek naar de capaciteit van de vreemdeling om compleet, coherent en consistent te verklaren. En dus hoefde de IND geen forensisch medisch onderzoek conform artikel 18 Procedurerichtlijn aan te bieden.
Deze gedachtegang kan vanuit medisch oogpunt niet worden gevolgd. Naar de mening van iMMO is artikel 18 ingericht om medisch onderzoek te doen naar de mogelijkheid van medisch steunbewijs voor mensen die beweren slachtoffer van ernstige mensenrechtenschendingen te zijn geweest. Dat betreft ook een onderzoek naar psychische klachten ten gevolge van trauma. Het niet coherent, consistent en compleet kunnen verklaren is een gevolg van diezelfde psychische klachten.

iMMO vindt dat de door de advocaat overgelegde aanwijzingen voor psychische problematiek voor de IND aanleiding had moeten zijn om een medisch onderzoek aan te bieden conform artikel 18 lid 1 Pri. Dat komt tevens tegemoet aan de overwegingen van artikel 24 en de considerans (nr. 29-31) van diezelfde Procedurerichtlijn.
Sommige asielzoekers kunnen bijzondere procedurele waarborgen behoeven op grond van onder meer hun leeftijd, geslacht, seksuele gerichtheid, genderidentiteit, handicap, ernstige ziekte, psychische aandoeningen of als gevolg van foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld.
De lidstaten moeten trachten verzoekers die bijzondere procedurele waarborgen behoeven als dusdanig te herkennen voordat een beslissing in eerste aanleg wordt genomen. Voor die verzoekers moet worden voorzien in passende steun, met inbegrip van voldoende tijd, om de nodige voorwaarden tot stand te brengen voor hun daadwerkelijke toegang tot procedures en voor het aanvoeren van de elementen ter staving van hun verzoek om internationale bescherming.

 

Nieuwsbrief nr. 22, 23 september 2016

Beperkingen en Werkinstructie 2010/13

iMMO heeft de afgelopen maanden een aantal uitspraken ontvangen waarin de rechtbank uitleg geeft over de betekenis van fysiek en psychisch medisch steunbewijs en de rol van  Werkinstructie 2010/13 bij beperkingen. Onderstaand één van deze uitspraken waarin het met name gaat om de aanwezigheid van psychische klachten en dus beperkingen en waarin de IND voor een tweede keer hoger beroep aantekent.

Betrokkene is een jonge man uit Afrika. Samen met zijn halfbroer werkt hij als lijfwacht voor een kennis van de zittende president. Ook voeren ze campagne voor de partij. Na de verkiezingen breekt er oorlog uit en overal wordt gevochten tussen voor- en tegenstanders van de president. Hij hoort dat zijn halfbroer is vermoord. De politie is ook naar hem op zoek, hij duikt onder en vlucht het land uit. Tijdens de vlucht maakt hij opnieuw traumatiserende  gebeurtenissen mee.

Identiteit, nationaliteit, etniciteit en herkomst worden geloofwaardig geacht. De redenen waarom hij gevlucht is echter niet. Betrokkene heeft wisselend, summier en vaag verklaard, zijn relaas overtuigt niet. Hij kan onder andere te weinig over zijn werkzaamheden met zijn halfbroer vertellen en hij weet vragen over de partij, het programma en de verkiezingen niet te beantwoorden.

Uit de iMMO-rapportage blijkt dat er sprake is van een getraumatiseerde man met PTSS en depressieve klachten. Een extra belemmerende factor is zijn lage intelligentie waardoor hij veel moeite heeft met data, details en met het beantwoorden van abstracte vragen. Hij weet bijvoorbeeld niet de maanden van het jaar en kan ook geen klok kijken. Zijn ontwikkelingsniveau is ongeveer vergelijkbaar met dat van een 7-jarig kind.
iMMO concludeert dat de psychische klachten typerend zijn voor wat hij heeft meegemaakt. Verder zijn er veel aanwijzingen in het dossier van MediFirst, in een ingevulde Signaleringslijst Psychische Problemen en in het nader gehoor waaruit blijkt dat die psychische klachten ten tijde van de gehoren zeker interfereerden met het vermogen compleet, coherent en consistent te verklaren.

MediFirst constateert voorafgaand aan de gehoren beperkingen: betrokkene heeft geheugenproblemen en weet geen data. Hij is analfabeet en heeft geen scholing gehad. De vragen in het gehoor moeten kort en niet te complex worden gesteld.

De zaak spitst zich dan bij de rechtbank toe op de vraag in hoeverre de vastgestelde beperkingen een rol spelen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid. Rechtbank Haarlem (Awb 14/1945) verklaart het beroep gegrond en veroordeelt de IND in het vergoeden van de kosten van het iMMO-onderzoek. De IND moet, conform Werkinstructie 2010/13, rekening houden met de beperkingen zowel tijdens het horen áls bij het beslissen.

Daarop dient de IND hoger beroep in. De Afdeling besluit op 24 augustus 2015 (201501304/1/V1) dat de IND bij het horen voldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen die MediFirst vaststelde. Uit de gehoren blijkt niet dat betrokkene niet in staat was om te antwoorden. Er is gepauzeerd, er zijn geen lange, complexe of abstracte vragen gesteld en betrokkene heeft zelf aangegeven tevreden te zijn na afloop.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond en wijst de zaak weer terug naar de rechtbank.

Dezelfde rechtbank noemt in haar uitspraak van 19 juli dat ze niet leest dat de Afdeling zich heeft uitgelaten over de vraag naar de betekenis van het iMMO-rapport in relatie tot de waarde die aan de verklaringen kan worden gehecht. De rechter verwijst opnieuw naar de Werkinstructie 2010/13, nu met name naar §5. Als er sprake is van psychische en in dit geval ook cognitieve beperkingen (zoals iMMO concludeerde) dient daar niet alleen bij het horen maar óók bij het beslissen rekening te worden gehouden. De IND heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het wisselend en vaag verklaren ondanks deze situatie van betrokkene toch mocht worden tegengeworpen. Het beroep wordt opnieuw gegrond verklaard en de IND dient weer hoger beroep in.


Nieuwsbrief nr. 21, 26 juni 2016

Ernstige marteling ‘op zijn minst waarschijnlijk’

Recent deed rechtbank Roermond uitspraak (Awb 15/12673) in de zaak van een Russische asielzoeker. Betrokkene is ondernemer en hij moet voor zijn vergunning aan de wijkagent steekpenningen betalen. De politie neemt hem regelmatig mee naar het politiebureau, mishandelt hem en eist op die manier steeds meer geld. Betrokkene dient een klacht in bij het openbaar ministerie waarop de politie hem door zware mishandeling wil dwingen die aanklacht weer in te trekken. Hij wordt mishandeld met slaan, schoppen en elektroshocks. Betrokkene verhuist maar de politie valt hem opnieuw lastig waarbij men hem valselijk beschuldigt van drugsbezit. Hij zit vervolgens geruime tijd vast in de gevangenis waar hij wordt gemarteld. Na zijn vrijlating verhuist hij naar een andere regio. Hij probeert een paspoort te regelen maar wordt opnieuw gevonden, lastig gevallen en mishandeld. Hij wordt onder andere beschoten met rubberen kogels. Uiteindelijk ontvlucht betrokkene zijn land. Hij heeft bij verschillende organisaties zoals het Openbaar Ministerie en het Helsinki Comité klachten over de politie ingediend maar daar heeft hij niets meer van gehoord.

De IND vindt een aantal elementen in het asielrelaas geloofwaardig, zoals identiteit, nationaliteit, religie, etniciteit en dat hij steekpenningen moest betalen. Dat hij steeds vaker aangehouden werd, grotere problemen kreeg, in de gevangenis terechtkwam en dat hij klachten indiende bij diverse organisaties vindt de IND niet aannemelijk. In de zienswijze geeft de advocaat aan dat een aanvraag bij iMMO ingediend gaat worden. De IND besluit in de beschikking dat een nader medisch onderzoek niet veel toe kan voegen en dat een medische rapportage altijd nog in beroep ingebracht kan worden.

iMMO zegt een onderzoek toe en beoordeelt de causale relatie van de littekens met het gestelde martelrelaas conform de gradaties van § 187 van het Istanbul Protocol. Sommige littekens worden als typerend voor het relaas beoordeeld, andere als (zeer) consistent. Het oordeel over de psychische klachten is dat deze zeer consistent zijn met het martelrelaas. Over het geheel genomen betekent dit dat hier sprake is van sterk medisch steunbewijs voor het gestelde relaas over de ondergane martelingen. Daarnaast oordeelt de iMMO-deskundige dat er aanwijzingen zijn voor het bestaan van psychische problematiek die zeker interfereerde met consistent, compleet en coherent verklaren tijdens de eerdere gehoren met de IND. Deze medische beperking was ook al in het medisch advies horen en beslissen geconstateerd.

In de uitspraak van de rechtbank constateert de rechter allereerst dat de IND tijdens het horen voldoende rekening heeft gehouden met de psychische problematiek van betrokkene.  MediFirst constateerde wel medische beperkingen in het medisch advies horen en beslissen: slecht slapen en black outs die de concentratie zouden kunnen beïnvloeden. De IND heeft regelmatig gepauzeerd, vragen herhaald en betrokkene kreeg paracetamol tegen de hoofdpijn. De rechter constateert vervolgens dat uit de iMMO-rapportage en andere medische stukken blijkt dat er sprake is van geheugenproblematiek. Betrokkene is niet goed in staat details te onthouden en de volgorde en de tijd van de gebeurtenissen te plaatsen, zeker niet wanneer het gaat om traumatische gebeurtenissen. Ook heeft betrokkene volgens iMMO moeite de mishandelingen en martelingen te onderscheiden. Dat zou kunnen passen bij een PTSS. Het afleggen van incoherente en inconsistente verklaringen is daarmee in beginsel te herleiden tot de medische/psychische situatie van betrokkene. Hiaten, vaagheden, tegenstrijdigheden en ongerijmde wendingen kunnen conform Werkinstructie 2010/13 betrokkene niet zonder meer worden tegengeworpen vervolgt de rechter. De IND zet daar echter tegenover dat details niet worden tegengeworpen maar dat het relaas op hoofdlijnen ongeloofwaardig wordt geacht.

De rechter gaat uitgebreid en gedetailleerd in op de geloofwaardigheid van de relevante elementen en weegt daarbij de uitkomsten van de iMMO-rapportage. De rechter concludeert vervolgens dat de IND onvoldoende motiveert waarom het relaas op hoofdlijnen ongeloofwaardig is. Vervolgens stelt de rechter vast dat de iMMO-rapportage het begin van bewijs vormt bedoeld in het arrest R.C. tegen Zweden. En “…op basis van het iMMO-rapport kan op zijn minst de conclusie worden getrokken dat waarschijnlijk is dat een deel van het letsel van eiser door marteling (…) is veroorzaakt”. Dit komt overeen met informatie uit het algemeen ambtsbericht over Rusland waaruit volgt dat de politie in Rusland corrupt is en afpersing en marteling door politie vaak voorkomt. De IND heeft daarom een verdergaande onderzoeksplicht. Het beroep wordt gegrond verklaard en de IND wordt in de vergoeding van de kosten van het iMMO-onderzoek veroordeeld.

Op het moment van dit schrijven is nog niet bekend of de IND in hoger beroep gaat.

Nieuwsbrief nr. 20, 8 april 2016


Belangrijke uitspraak CAT: medische rapportage is sterk steunbewijs

Op 30 november 2015 deed het United Nations Committee Against Torture (CAT) uitspraak in een zaak waarin een MOG-rapportage (de medische onderzoeksgroep van Amnesty International, voorloper van iMMO) is overgelegd en iMMO een aanvullende medisch inhoudelijke reactie heeft geschreven (569/2013 M.C. tegen Nederland). Het CAT stelt dat de medische rapportage eenduidig is en sterk medisch steunbewijs vormt (“strong and almost unequivocal”). Nederland heeft de rapportage bovendien niet weerlegd met een eigen medisch onderzoek. In het licht van wat er bekend is over land van herkomst en het gedetailleerde relaas van marteling van betrokkene, oordeelt het CAT dat er mogelijk sprake is van schending artikel 3 Anti Folterverdrag bij terugkeer. 

Het gaat in dit dossier om een jonge man die werkte als boer in Guinee. Hij is vijf jaar naar school geweest en is niet politiek actief. Na de dood van zijn vader, woont hij bij zijn oom in Conakry. Eind september 2009 gaat hij met zijn neef naar het stadion waar een protest tegen de regering plaatsvindt. Wanneer de militairen het vuur openen, vallen veel mensen dood neer of raken gewond. Hij raakt zijn neef kwijt en wordt zelf gevangen genomen. In de gevangenis wordt hij gemarteld om te bekennen dat hij een van de gewapende demonstranten was. Hij wordt gedwongen op ellebogen en knieën over ongelijke stenen te kruipen en krijgt elektrische schokken. Ook is er te weinig eten en is de hygiëne zeer slecht. Met behulp van een bewaker kan hij na vijf maanden vluchten.

De asielaanvraag van betrokkene wordt afgewezen. De IND stelt dat het relaas ongeloofwaardig is en zijn verklaringen vaag en het komt ook niet overeen met wat bekend is uit algemene landeninformatie. De advocaat vraagt in de beroepsprocedure bij de MOG een onderzoek aan. De arts van de MOG constateert dat de littekens consistent en zeer consistent zijn met het ondergane geweldsrelaas en dat de psychische klachten als PTSS en depressieve klachten typerend zijn voor het geweldsrelaas.

De IND constateert tegenstrijdigheden en hiaten tussen de informatie uit de medische rapportage van de MOG en de gehoren bij de IND. Zo vertelt betrokkene in het onderzoek van de MOG over andere gebruikte martelmethodes (zoals het zogenaamde ‘tijgeren’) dan in de gehoren bij de IND (daar spreekt hij over ‘moeilijke oefeningen’). Ook noemt de IND dat de arts in de medische rapportage uitgaat van het subjectieve relaas van de asielzoeker en niet van ‘objectieve gegevens’. Bovendien concludeert de IND dat de littekens ook op een andere manier zouden kunnen zijn ontstaan. Een nader medisch onderzoek vindt de IND dan ook niet nodig.

Het CAT noemt echter dat de medische rapportage eenduidig is en sterk medisch steunbewijs vormt (“strong and almost unequivocal”). Nederland heeft de uitkomsten van de medische rapportage niet weerlegd met een eigen medisch onderzoek. In het licht van wat bekend is over het land van herkomst en het gedetailleerde relaas van marteling van betrokkene oordeelt het CAT dat er bij terugkeer mogelijk sprake is van schending artikel 3 Anti Folterverdrag.


Jurisprudentie iMMO-rapportages 2013-2016

Hier wordt een overzicht gegeven van rechtszaken uit de afgelopen drie jaar waarin iMMO-rapportages een aanzienlijke rol spelen. Relevante uitspraken van de Raad van State (hierna de Afdeling) en rechtbanken worden toegelicht aan de hand van weerkerende thema’s zoals de relatie tussen de medische rapportage en een integrale weging, de beoordeling van de geloofwaardigheid en het belang van medische beperkingen.
Uit de uitspraken komt vaak een kritische houding en een niet eenduidig beeld ten aanzien van de interpretatie van medische rapportages naar voren. Het is de vraag of de ingezette lijn van de Afdeling, in het licht van de hierboven aangehaalde uitspraak van het CAT, stand kan blijven houden.

Uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS)

In de uitspraak van de Afdeling (201211436/1/V4) van 31 juli 2013 komt naar voren dat de conclusie in de iMMO-rapportage (met betrekking tot de psychische klachten) ‘typerend’ een sterke aanwijzing geeft dat het bij de vreemdeling vastgestelde trauma is veroorzaakt door de gestelde mishandeling of marteling. Gelet op het arrest RC tegen Zweden(*1)  van het EHRM moet de staatssecretaris nader onderzoek verrichten om dat te kunnen weerleggen. Ook wordt duidelijk dat de iMMO-rapportage een deskundigenadvies is en een rapportage zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is. Van het medisch steunbewijs wordt dus niet verwacht dat het absolute bewijskracht levert (gradatie ‘kenmerkend’). Psychische restverschijnselen van marteling hebben hiermee dezelfde zeggingskracht inzake causaliteit en medisch steunbewijs als littekens of andere fysieke verschijnselen.

(*1) EHRM, 9 maart 2010, appl.nr. 41827/07)

De Afdeling overweegt op 19 februari 2014 (201308171/1/V1) dat de staatssecretaris heeft nagelaten het MOG-rapport te beoordelen in het licht van de persoonlijke situatie van betrokkene maar ook niet heeft gerelateerd aan de veiligheidssituatie in het land van herkomst. Indien betrokkene medisch bewijs overlegt van littekens die een causaal verband hebben met mishandeling, verplicht dat de staat ertoe nader onderzoek te doen, ook als delen van het asielrelaas ongeloofwaardig zijn. Verder stelt de Afdeling dat de waardering in de MOG-rapportage van de littekens en klachten als ‘consistent met’ weliswaar minder ver strekt dan ‘typerend voor’ of ‘kenmerkend voor’, maar dat dit niet betekent dat de staatssecretaris daarom niet een deskundige zou moeten inschakelen.

Op 24 augustus 2014 volgt een uitspraak (RvS 201309411/12/V1) waarin de Afdeling stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat medisch bewijs met slechts psychische klachten geen sterke aanwijzing vormt als bedoeld in RC tegen Zweden. Daarnaast oordeelt de Afdeling dat de staatssecretaris het iMMO-rapport had moeten afzetten tegen de algemene situatie in het land van herkomst en het geloofwaardig geachte deel van het asielrelaas.

Op diezelfde dag doet de Afdeling echter nog een uitspraak (RvS 201209148/1/V1) waarmee een andere lijn lijkt te worden ingezet: ten eerste stelt de Afdeling dat de MOG-rapportage geen afbreuk kan doen aan het MediFirst advies wanneer bij het horen door de IND voldoende met eventuele beperkingen rekening is gehouden. Een deel van het asielrelaas is wegens vage en tegenstrijdige verklaringen terecht ongeloofwaardig bevonden. Daarnaast constateert de Afdeling tegenstrijdigheden tussen de (aanvullende) nader gehoren en de MOG-rapportage. En daarom vormt het MOG-rapport géén sterke aanwijzing in de zin van RC tegen Zweden en hoeft de staatssecretaris geen nader onderzoek te doen.

Die lijn lijkt zich voort te zetten in 2015. Omdat het asielrelaas op hoofdlijnen ongeloofwaardig werd bevonden hoeft de IND geen nader medisch onderzoek te doen naar eventuele beperkingen zegt de Afdeling op 30 januari 2015 (RvS 201407043/1/V1). Bovendien stelt de Afdeling in deze casus dat de conclusies in het iMMO-rapport ruimte laten voor andere oorzaken en dat de staatssecretaris de aanleiding voor de mishandeling en traumatische gebeurtenissen gemotiveerd ongeloofwaardig heeft geacht.

Nog verder gaat de Afdeling in haar uitspraak op 20 april 2015 (RvS 201404461/1/V1) waarin de Afdeling stelt dat een iMMO-rapportage geen uitsluitsel geeft over de aanleiding en wijze van ontstaan van letsel. De asielzoeker heeft summier verklaard, de verklaringen over zijn asielrelaas en over het ontstaan van zijn letsel zijn terecht ongeloofwaardig bevonden. Of nader onderzoek nodig is wanneer een door een arts geproduceerd bewijsmiddel wordt overgelegd, moet worden beoordeeld in het licht van de geloofwaardigheid van het asielrelaas én tegen de achtergrond van de algemene situatie in het land van herkomst.

Op 28 mei 2015 oordeelt de Afdeling (RvS 201405467/1/v1) enerzijds dat er discrepanties zijn tussen het nader gehoor en de iMMO-rapportage maar dat die zijn gebruikt voor de medische beoordeling of betrokkene in staat was coherent, consistent en compleet te verklaren. Anderzijds stelt de Afdeling vast dat de IND tijdens het nader gehoor wel degelijk rekening heeft gehouden met de beperkingen vastgesteld door MediFirst en dat betrokkene pas in de iMMO-rapportage gemeld heeft dat zij niet coherent, consistent en compleet kon verklaren. Ook vond het iMMO-onderzoek bijna anderhalf jaar later pas plaats. Het beroep van de staatssecretaris wordt overigens wel ongegrond verklaard.

Daarnaast spreekt de Afdeling zich op 10 juni 2015 (RvS 201404624/1/V2) en 24 augustus 2015 (RvS 201501304/1/V1) nadrukkelijk uit over de consequenties van vastgestelde beperkingen. MediFirst heeft beperkingen gemeld. De IND heeft daarom pauzes aangeboden en geen lange vragen gesteld. Bovendien is na afloop van het gehoor aan de vreemdeling gevraagd of alles goed verlopen is en of de asielzoeker tevreden was. Uit de verslagen van de gehoren blijken geen bijzonderheden. Geconcludeerd wordt dat de IND zich gehouden heeft aan Werkinstructie 2010/13. Een iMMO-rapportage kan aan het oordeel dat er voldoende rekening is gehouden met beperkingen bij horen en beslissen achteraf niets meer af doen. In haar uitspraak op 15 september 2015 (RvS 201410283/1/V2) voegt de Afdeling aan bovenstaande redenering toe: “…bovendien kan aan een iMMO-rapport slechts waarde toekomen indien dat rapport betrekking heeft op een geloofwaardig geacht deel van het asielrelaas dan wel op een deel van het relaas dat de vreemdeling overigens heeft gestaafd”.

Heel recent echter doet de Afdeling nog een uitspraak over het belang van beperkingen bij horen en beslissen (22 februari 2016, RvS 201506395/1/V1). De rechtbank stelde eerder vast dat het onbegrijpelijk was waarom de IND vindt dat iemand met beperkingen deels wel en deels niet zou kunnen verklaren. De rechter vond ook dat de IND nader onderzoek had moeten doen, mede naar aanleiding van de reactie van iMMO (in deze zaak was geen iMMO-rapportage overgelegd, wel een aanvullende brief). De Afdeling zegt dat er rekening is gehouden met beperkingen bij het horen en beslissen en voegt daar aan toe “…uit het rapport van het nader gehoor blijkt niet dat de vreemdeling ten tijde van dit gehoor onmiskenbaar niet in staat was haar asielrelaas naar voren te brengen en vragen daarover te beantwoorden”.

Uitspraken van de rechtbanken

Oordeel over fysiek en psychisch medisch steunbewijs
In 2013 komen een aantal rechtbanken onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling in juli van dat jaar tot de conclusie dat een iMMO-rapportage sterk medisch steunbewijs is. Het plaatsen van slechts kritische kanttekeningen door de IND is niet voldoende, de conclusies uit de iMMO-rapportage mogen niet weerlegd worden zonder nader medisch onderzoek (bijvoorbeeld Rb Groningen, 19 augustus 2013 Awb 12/21765, Rb Amsterdam 20 augustus 2013 Awb 12/16080 of Rb Middelburg 12 december 2013 Awb 13/12241).

Rechtbank Utrecht (Awb 14/2380) concludeert op 22 juli 2014 dat een iMMO-rapportage zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is en een deskundigenbericht is. Ook is de gradatie ‘typerend’ een sterke aanwijzing en had de IND nader onderzoek moeten doen. En hoewel de IND stelt dat een iMMO-rapportage niet uitsluit dat de klachten samenhangen met andere gebeurtenissen uit het verleden, stelt rechtbank Arnhem (Awb 13/23562) op 3 september 2014 vast dat er littekens zijn en dat iMMO concludeert dat deze passen bij het relaas (gradatie typerend). Wil de IND in zijn besluitvorming iMMO passeren, dan is nader medisch onderzoek noodzakelijk zo overweegt de rechter.

Rechtbank Zwolle gaat echter op 17 april 2014 (Awb 12/20323) mee in het oordeel van de IND dat wanneer er sprake is van de gradaties consistent en zeer consistent dat deze de ‘zwakkere conclusies’ van het Istanbul Protocol zijn en ruimte laten voor andere oorzaken. Rechtbank Roermond overweegt dan op 25 september 2014 (Awb 13/26254) dat – hoewel de littekens, fysieke en psychische klachten, ontstaan kunnen zijn zoals betrokkene verklaard heeft – uit de iMMO-rapportage niet blijkt op welke momenten en in welke context dit is gebeurd. In een andere zaak komt dezelfde rechtbank op 1 juni 2015 tot een zelfde conclusie (Awb 14/16359). Ook rechtbank Utrecht oordeelt op 28 september 2015 (Awb 15/1666) dat een iMMO-rapportage niets zegt over door wie betrokkene is mishandeld en welke gebeurtenissen daaraan vooraf zijn gegaan dan wel daarop volgden.

Rechtbank Den Bosch (Awb 15/7518) volgt in haar uitspraak van 21 januari 2016 wel de iMMO-rapportage dat er een typerend litteken is en dat betrokkene verkracht is maar de context wordt niet gevolgd. En de iMMO-rapportage biedt daarover geen uitsluitsel. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Raad van State van 10 juni 2015 (RvS 201404624/1/V2). Dat het relaas past binnen hetgeen over land van herkomst bekend is betekent niet dat het individuele relaas geloofwaardig moet worden geacht. De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak van de Raad van State van 20 april 2015 (RvS 201404461/1/V1).

In de uitspraak van rechtbank Utrecht (Awb 14/20190) van 8 september 2015 wordt wel ingegaan op mogelijke beperkingen en consequenties maar wordt het door iMMO genoemde typerende psychisch medisch steunbewijs geheel genegeerd. En op 24 november 2015 laat rechtbank Amsterdam (Awb 15/19161) een typerend litteken geheel buiten beschouwing omdat de IND de ongeloofwaardigheid van het relaas deugdelijk gemotiveerd heeft.

Oordeel over beperkingen bij horen en beslissen
Rechtbank Haarlem (Awb 14/8260) gaat op 10 juli 2014 niet mee met de IND in het standpunt dat iemand wel in staat zou zijn coherent, consistent en coherent te verklaren als het gaat om niet-traumatische gebeurtenissen. Dat volgt niet uit de iMMO-rapportage en staat ook niet zo beschreven in de Werkinstructie 2010/13.

Op 13 oktober 2014 oordeelt rechtbank Groningen (Awb 13/15535) dat iMMO zeer sterk ondersteunend bewijs levert voor de kern van het asielrelaas (seksueel geweld). Hoewel de IND stelt dat betrokkene wel het slachtoffer kan zijn geweest van geweld en in verband daarmee psychische klachten heeft het nog niet aannemelijk is dat dat is gebeurd onder de geschetste feiten en omstandigheden. De rechter vindt echter dat de IND de conclusies van iMMO miskent nu iMMO concludeert dat de psychische klachten zeer waarschijnlijk interfereerden met compleet, coherent en consistent verklaren.

Rechtbank Utrecht (Awb 14/9105) overweegt op 15 januari 2016 dat betrokkene vaag en tegenstrijdig verklaard heeft, maar dat de iMMO-rapportage daar een medische onderbouwing voor geeft. Gezien de psychische problematiek kunnen de verklaringen onbetrouwbaar zijn, terwijl dit niet duidt op onbetrouwbaarheid van het relaas. Bovendien zijn er psychische klachten die medisch steunbewijs voor het relaas zijn. De IND had nader onderzoek door een deskundige moeten laten doen. (De IND tekende in deze uitspraak hoger beroep aan).

Wanneer uit de rapporten van het nader gehoor niet blijkt dat betrokkene niet kon worden gehoord en ook niet blijkt op welke punten iemand niet coherent, consistent en compleet kon verklaren, dan kan een iMMO-rapportage geen afbreuk doen aan de conclusie van MediFirst dat er geen beperkingen zijn die het horen in de weg staan, overweegt rechtbank Assen, al op 1 oktober 2013 (Awb 12/10352). Rechtbank Utrecht overweegt op 8 september 2015 (Awb 20190) dat hoewel MediFirst beperkingen vast stelde, er kon worden gehoord en de gehoren niet onzorgvuldig waren. De IND mocht daarom afgaan op de verklaringen van betrokkene en die ongeloofwaardig bevinden.

Op 3 juli 2015 volgt rechtbank Groningen (Awb 15/576) dat de IND heeft rekening gehouden met de beperkingen (heeft pauze aangeboden en gevraagd aan betrokkene hoe het ging). De IND werpt betrokkene niet tegen niet goed te kunnen verklaren over de traumatische gebeurtenissen maar niet goed te kunnen verklaren over algemene informatie van het land van herkomst en daarom is het asielrelaas ongeloofwaardig (het hoger beroep in deze zaak loopt nog).

Op 29 juli 2015 stelt rechtbank Den Bosch (Awb 14/19670) het anders: dat de psychische problematiek interfereerde met compleet, consistent en coherent verklaren betekent niet dat betrokkene niet in staat was de kern van het asielrelaas naar voren te brengen. Rechtbank Arnhem oordeelt eveneens zo op 22 oktober 2015 (Awb 15/9964).

Rechtbank Rotterdam (Awb 14/9341) verwijst op 30 oktober 2015 naar twee bovengenoemde recente uitspraken van de Afdeling (RvS 201501304/1/V1 en RvS 201410283/1/V2). En stelt dat wanneer de IND rekening heeft gehouden met de beperkingen tijdens het horen een iMMO-rapportage daar later niet meer aan af kan doen. Bovendien kan er slechts waarde toekomen aan een iMMO-rapportage indien dat rapport betrekking heeft op een geloofwaardig geacht deel van het relaas dan wel indien dat relaas overigens is gestaafd.

Rechtbank Arnhem stelt op 3 november 2015 (Awb 15/5151) vast dát er sprake is van psychische problematiek die interfereerde, en dat betrokkene zich data niet kan herinneren en gebeurtenissen in tijd door elkaar haalt. Maar dit zou niet verklaren waarom betrokkene op belangrijke onderdelen niet consistent en coherent verklaart. Geheugen- en concentratieproblematiek staat volgens de rechtbank los van op hoofdlijnen ongeloofwaardig bevonden verklaringen. En ook zijn er tegenstrijdigheden tussen gehoren en iMMO-rapportage. Een nader onderzoek vond de rechtbank daarom niet nodig.

Rechtbank Roermond (Awb 14/28259) erkent in haar uitspraak van 14 januari 2016 dat de betrokkene psychische klachten heeft ten gevolge van wat er is meegemaakt maar daaruit kan niet de conclusie worden getrokken dat betrokkene niet in staat zou zijn te verklaren over wat hij heeft meegemaakt. De IND mocht afgaan op verklaringen uit de gehoren. MediFirst stelt weliswaar beperkingen vast, maar er is gepauzeerd en uit de verslagen is niet op te maken dat betrokkene niet in staat was om te vertellen.

Rechtbank Den Bosch (Awb 15/7518) overweegt op 21 januari 2016 voor zover er bij de beoordeling rekening had moeten worden gehouden met psychische problematiek waardoor betrokkene niet goed kon verklaren, dat het relaas niet op details ongeloofwaardig is geacht maar op hoofdlijnen. De rechtbank ziet vervolgens niet in dat als betrokkene wel in staat was geweest coherent, consistent en compleet te verklaren dat betrokkene een ander relaas op hoofdlijnen naar voren had gebracht.

iMMO-rapportage wel/geen novum
Bij herhaalde asielaanvragen wordt een iMMO-rapportage in de meeste gevallen niet als nieuw feit of omstandigheid gezien. Dossiers waarin de IND in een herhaalde asielprocedure wel besluit om (mede) naar aanleiding van de iMMO-rapportage alsnog een vergunning te verlenen zie je echter niet terug in de jurisprudentie. Cijfers van iMMO (*2)  laten zien dat in asielzaken waarin een iMMO-rapportage is uitgebracht en waarin een eindresultaat bekend is (vergunningverlening of uitgeprocedeerd of MOB), in 80% een verblijfsvergunning is verleend. In ongeveer de helft van deze zaken ging het om een opvolgende asielaanvraag.

(*2) https://www.stichtingimmo.nl/publicaties-2/nieuwsbrief/

De Afdeling oordeelt op 4 december 2013 (201211051/1/V2) en 11 december 2013 (201206788/1/V2) dat een iMMO-rapportage geen novum is. Ook wanneer uit de iMMO-rapportage blijkt dat iemand in de eerste procedure wegens schaamte en PTSS niet kon verklaren dan nog had er summier melding gemaakt moeten worden van het geweld zegt rechtbank Utrecht op 20 maart 2014 (Awb 13/9554). Niet veel later, op 24 maart 2014, zegt rechtbank Amsterdam (Awb 13/8818) dat het melden van alleen buikpijn tijdens de gehoren niet voldoende is, ook psychische klachten moeten worden gemeld, hoe summier ook.

In één uitspraak op 10 oktober 2014 van rechtbank Rotterdam (Awb 14/9142 en 14/9140) wordt in de hasa de iMMO-rapportage en een niet eerder vermelde verkrachting wél als novum gezien. De eerste procedure was AA afgedaan. Er wordt uitgegaan van de juistheid van de conclusies van iMMO, de rapportage is terzakekundig en de iMMO-rapportage vormt sterk medisch steunbewijs. Dat er andere oorzaken aan de klachten ten grondslag kunnen liggen, doet aan dat oordeel niet aan af. De staatssecretaris diende geen hoger beroep in.

Terwijl rechtbank Arnhem op 8 januari 2015 (Awb 14/14241) oordeelt dat de asielzoeker in de AA-procedure melding had moeten maken van zijn wens een medische rapportage te laten maken – het hoger beroep in deze zaak loopt nog.

Bahaddar
Rechtbank Amsterdam concludeert op 29 augustus 2014 (Awb 14/17928) en rechtbank Haarlem op 15 december 2014 (Awb 14/4179) dat de iMMO-rapportage geen novum is, maar dat er aan de hand van de iMMO-rapportage sprake zou kunnen zijn van bijzondere omstandigheden in het kader van mogelijke schending artikel 3 EVRM bij terugkeer, als in het arrest Bahaddar (*3).

(*3) paragraaf 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in zaak nr. 145/1996/764/965, Bahaddar tegen Nederland

De IND tekende in beide zaken hoger beroep aan. De Raad van State oordeelt in de zaak van rechtbank Amsterdam op 24 december 2015 (RvS 201407487/1/V1) dat schending van artikel 3 EVRM niet aannemelijk is omdat identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk zijn. En dat uit de iMMO-rapportage, wat er van het iMMO-rapport inhoudelijk ook moge zijn, niet kan worden afgeleid in welk land de vreemdeling zijn littekens heeft opgelopen.

Op 28 december 2015 oordeelt de Raad van State, zij het op andere gronden, dat in de zaak van rechtbank Haarlem van bijzondere feiten en omstandigheden als in Bahaddar geen sprake is. De Afdeling stelt dan wel dat de IND het relaas en in het bijzonder de iMMO-rapportage niet beoordeeld heeft in het licht van informatie uit het ambtsbericht en daarom een mogelijke schending van artikel 3 EVRM niet deugdelijk gemotiveerd heeft.

Artikel 18 EU Asielprocedurerichtlijn, art. 3.109e Vb 2000 en Vc C1/4.4.4 VW 2000
Op 14 oktober 2015 spreekt rechtbank Rotterdam (Awb 15/16874) zich uit over de mogelijke toepassing art. 18 van de EU Asielprocedurerichtlijn (2013/32/EU). De FMMU stelde geen beperkingen vast, en hoefde dat, gezien de medische informatie, volgens de rechtbank ook niet te doen. Daarnaast volgt de rechtbank de IND in de overweging dat een medisch onderzoek niet relevant is. Want de context waarin de littekens zijn ontstaan is niet geloofwaardig. Betrokkene heeft op wezenlijke onderdelen ongerijmd en ongeloofwaardig verklaard. De rechter verwacht niet dat een iMMO-rapport alsnog een doorslaggevend onderdeel in de geloofwaardigheidstoetsing kan worden.

Rechtbank Middelburg (Awb 15/186) overweegt op 28 december 2015 dat het asielrelaas terecht ongeloofwaardig werd bevonden, en daarom onderzoek naar de gestelde psychische klachten niet als steunbewijs aan de beoordeling van het asielverzoek zou kunnen bijdragen. Er zou dan geen sprake zijn van schending art. 18 van de Procedurerichtlijn.

 

Nieuwsbrief nr. 19, 10 december 2015

Casus Ethiopië bij iMMO-Nieuwsbrief nr. 19

Betrokkene groeit op in een eenvoudig boerengezin in het binnenland van Ethiopië. De broer van betrokkene is actief voor het OLF en wordt gearresteerd. Hij wordt daarna niet meer teruggezien. Betrokkene zelf is niet actief voor het OLF maar is wel sympathisant. Hij brengt soms eten of geld naar OLF-leden. Op een ochtend wordt betrokkene gearresteerd, hij wordt geslagen en geschopt en naar een kleine gevangenis gebracht. Hij wordt beschuldigd van activiteiten voor het OLF. Betrokkene en de andere gevangenen worden elke dag overal geslagen met stokken en elektriciteitskabels. Ook wordt er heet water over hen heen gegooid en worden ze gedwongen toe te kijken naar de martelingen bij anderen. Betrokkene weet na enkele weken te ontsnappen en te vluchten. Na een maandenlange reis door Sudan, Libië en Tsjaad komt hij uiteindelijk aan in Italië en reist daarna naar Nederland.

In het Medisch Advies Horen en Beslissen constateert MediFirst geen beperkingen, wel enkele littekens. Ook staat in het Medisch Advies vermeld dat betrokkene een rustige en geduldige benadering nodig heeft om zijn verhaal te kunnen doen. Betrokkene meldt zich af en toe bij het GC A, onder andere met hoofdpijn, buikpijn en later slaapproblemen.
In het Nader Gehoor zegt betrokkene dat hij bij het Eerste Gehoor niet alles kon vertellen. En dat hij nog steeds niet alles kan vertellen. Hij probeert het wel maar het gaat niet. Hij wordt meerdere keren emotioneel.

De IND stelt in het voornemen dat betrokkene zulke summiere, ongerijmde en vage verklaringen heeft afgelegd op relevante onderdelen van het relaas dat men het asielrelaas ongeloofwaardig acht. Betrokkene kan te weinig vertellen over de rol van zijn broer bij het OLF. Ook is niet duidelijk waarom ze juist hem arresteerden. De IND vindt ook zijn ontsnapping ongerijmd. De advocaat wijst in de zienswijze op het bestaan van de littekens en verwijst naar de uitspraak RC vs Zweden van het EHRM en deelt mee een medisch onderzoek bij iMMO te hebben aangevraagd. Enkele maanden later brengt de advocaat de iMMO-rapportage gedurende de bestuurlijke fase in. iMMO constateert dat de littekens van betrokkene typerend zijn voor zijn relaas en dat de psychische klachten zeer consistent zijn. Verder interfereerde de psychische problematiek tijdens de gehoren waarschijnlijk met coherent, consistent en compleet verklaren.
In de beschikking reageert de IND (onder andere) op de iMMO-rapportage. De IND vindt de rapportage onvoldoende onderbouwd en niet inzichtelijk. Daar komt bij dat de conclusies ‘typerend voor’ en ‘zeer consistent met’ ruimte laten voor andere oorzaken. Bovendien kan een arts niet vaststellen of een litteken is ontstaan binnen de context zoals de asielzoeker stelt. Verder werd noch tijdens de gehoren noch in de maanden daarna melding gemaakt van medische problematiek waardoor betrokkene niet in staat was goed te verklaren. Op verzoek van de advocaat reageert iMMO op enkele onjuistheden in de beschikking en later in het verweerschrift van de IND.

De Rechtbank Den Bosch verklaart het beroep gegrond (Awb 14/28696). De rechtbank overweegt dat de iMMO-rapportage een uitgebreide rapportage is, gebaseerd op persoonlijke gesprekken en een lichamelijk en psychisch onderzoek. De conclusies zijn voldoende gemotiveerd. Bovendien is iMMO in zijn reacties op de beschikking en het verweerschrift gemotiveerd ingegaan op de kritische kanttekeningen en vragen. De rechter is het eens met de stelling dat de genoemde gradaties andere oorzaken niet uitsluiten. Maar dat doet niets af aan het feit dat de conclusies in het rapport het asielrelaas op een wezenlijk punt ondersteunen: de littekens zijn typerend voor het door betrokkene vertelde verhaal. Het besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Alvorens tot een definitief geloofwaardigheidsoordeel te komen, had de IND ook een eigen medisch deskundige kunnen inschakelen aan wie dezelfde vragen als aan iMMO hadden kunnen worden voorgelegd.

De IND heeft na deze uitspraak geen hoger beroep ingediend. De IND heeft inmiddels de kosten van het onderzoek betaald.

Het sterke medisch steunbewijs in deze zaak werd door de IND genegeerd en niet integraal meegewogen. Dat merkte de rechter op. Interessant in deze zaak is dat de rechter heeft erkend dat  medisch steunbewijs bijna nooit absoluut of 100% zeker is. Maar dat wil nog niet zeggen dat een genuanceerde beoordeling volgens de gradaties van het Istanbul Protocol van geen waarde is.

Nieuwsbrief nr. 17, 26 juni 2015

Relevantie in kader artikel 18 Procedure richtlijn 2013/32/EU

In artikel 18 lid 1 van de Procedure richtlijn staat dat lidstaten een medisch onderzoek kunnen laten verrichten indien de beslissingsautoriteit dit voor de beoordeling van een asielaanvraag relevant acht. Ook in de hier besproken zaak geldt: wanneer en hoe komt de IND tot het oordeel dat een medisch onderzoek voor de beoordeling op asiel relevant is?
Een jonge man uit Afghanistan vraagt in Nederland asiel aan nadat hij in Afghanistan bedreigd werd door de Taliban. Hij hangt een andere religieuze stroming aan. Tijdens een inval is hij mishandeld: hij is flink geslagen, ook op zijn hoofd en zijn arm is gebroken.

De Forensisch Medische Maatschappij Utrecht (FMMU) is de organisatie die de IND adviseert ten aanzien van de vraag of er sprake is van medische problematiek die van invloed kan zijn op het horen en beslissen. De FMMU schrijft bij deze man in het advies dat er medische klachten zijn waarvoor de arts betrokkene naar het GCA verwijst. De FMMU noteert echter niet welke klachten dat zijn. De arts van de FMMU constateert ook geen beperkingen. Uit het onderzoeksformulier van de FMMU blijken zowel lichamelijke (hoofdpijn) als psychische klachten (problemen met slapen, nachtmerries, piekeren). Het litteken op het hoofd ziet de arts niet of het wordt niet opgeschreven. In het nader gehoor bij de IND maakt betrokkene vervolgens vier keer melding van hoofdpijn en hij zegt dat het niet zo goed met hem gaat. In het GCA-dossier staat dat hij een zichtbaar litteken op zijn hoofd heeft.

De advocaat wijst in de zienswijze op de verantwoordelijkheid van de IND om nader medisch onderzoek te doen nu er aanwijzingen zijn van medische problematiek en vraagt om een verlengde procedure. Dat honoreert de IND niet en deze stelt in de beschikking dat betrokkene zijn medische toestand niet met documenten heeft onderbouwd.

Rechtbank Middelburg oordeelt in het verzoek om een voorlopige voorziening (Awb 15/9527) dat de IND geen rekening kon houden met een aanvraag bij iMMO nu de advocaat daarvan pas melding maakte in de beroepsprocedure. De voorlopige voorziening wijst de rechtbank wel toe. Een medisch onderzoek kan van belang zijn als medisch steunbewijs bij de beoordeling van het asielrelaas en ook bij de beoordeling van de vraag of er beperkingen waren die van invloed zijn geweest op het horen en beslissen.

Er is sprake van een (zichtbaar) litteken op het hoofd van betrokkene en er zijn aanwijzingen voor lichamelijke én psychische klachten in het nader gehoor. De IND had in deze casus zelf al kunnen beoordelen, enigszins vooruitlopend op de implementatie van artikel 18, dat een medisch onderzoek aangewezen zou zijn. Men had het asielverzoek in ieder geval in de Verlengde Asielprocedure kunnen behandelen. Een boeiende vraag is of de IND in deze casus na 20 juli 2015 zou besluiten tot een nader medisch onderzoek.


Vervolgcasus ‘Waardering psychisch medisch steunbewijs’

In nieuwsbrief nr. 14 van oktober 2014 is over een uitspraak van Rechtbank Den Bosch van 24 juli 2014 (AWB 13/32457 en AWB 13/32454) bericht. Inmiddels heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het door de staatssecretaris destijds ingestelde hoger beroep gegrond verklaard (RvS 201407043/1/V1). Daarmee is betrokkene uitgeprocedeerd. De advocaat wil de kwestie nu voorleggen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

Hoe zat het in elkaar? De IND wijst de asielaanvraag af; betrokkene heeft op hoofdlijnen bevreemdingwekkend verklaard en het relaas is ongeloofwaardig. Met betrekking tot de iMMO-rapportage stelt de IND dat het medisch steunbewijs niet 100% waterdicht is: de gebeurtenissen zouden ook onder andere omstandigheden hebben kunnen plaatsvinden. Rechtbank Den Bosch vindt echter (in de uitspraak van 24 juli 2014) dat de iMMO-rapportage een sterke aanwijzing vormt dat de trauma’s veroorzaakt zijn door de gestelde mishandelingen. De IND kan deze sterke vermoedens alleen weerleggen met een nader medisch onderzoek. Bovendien had de IND de medisch inhoudelijke stukken moeten betrekken bij de besluitvorming.

De Afdeling oordeelt in de uitspraak van 30-01-2015 dat de staatssecretaris het asielrelaas gemotiveerd ongeloofwaardig heeft bevonden en dat de staatssecretaris daarom geen nader medisch onderzoek hoefde te doen. Daarnaast stelt de Afdeling vast dat het iMMO-rapport andere oorzaken voor de psychische klachten en littekens openlaat en dat het rapport daarom geen ander licht werpt op de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

De Afdeling lijkt mee te gaan met de gedachte dat medisch steunbewijs 100% sluitend moet zijn voordat de IND dat meeweegt in de integrale beoordeling. Daarbij wordt uit het oog verloren dat het bij de asielbeoordeling gaat om het aannemelijk maken van gegronde vrees. Ook het oordeel van de IND is niet 100% waterdicht.

Ook lijkt het erop dat de Afdeling de conclusies van het medisch onderzoek los van zijn context wil bezien. Maar als dat wordt gevolgd heeft een medisch onderzoek strikt genomen nooit zin. Daarmee wordt de werkwijze en bedoeling van het Istanbul Protocol terzijde geschoven. Het Istanbul Protocol schrijft nu juist een uitgebreide beschrijving van de context van het ontstaan van medische bevindingen voor. De achtergrond, de context en de wijze van ontstaan van de littekens/verwondingen vormen een integraal onderdeel van het oordeel over de causale relatie tussen de medische bevindingen en de gestelde marteling of ander geweld.

 

Nieuwsbrief nr. 16, 20 maart 2015

Mensenhandel & Asiel, beleid en praktijk

Voor een iMMO-onderzoek hoeft een procedure mensenhandel of een asielprocedure niet veel uit te maken. Maar het vreemdelingenbeleid is ten aanzien van slachtoffers van mensenhandel wel vrij specifiek en bijzonder. Hieronder worden de kaders daarvan kort geschetst alsmede een eventuele relatie met een asielaanvraag zoals bij iMMO regelmatig voorkomt.

De verblijfsregeling voor slachtoffers van mensenhandel als bedoeld in Richtlijn 2004/81/EG, staat beschreven in de Vreemdelingencirculaire B 8/3. Is er een (gering) vermoeden van mensenhandel (bijvoorbeeld bij een hulpverlener, de Marechaussee of een omstander) dan kan dat gemeld worden bij de politie. De politie moet vervolgens het vermoedelijke slachtoffer bedenktijd bieden: wil het slachtoffer wel of niet aangifte doen? Tijdens deze bedenktijd van maximaal drie maanden, is er recht op opvang en financiële steun. Als iemand vervolgens besluit aangifte te doen, start de politie de opsporing van de daders. De IND geeft aan het slachtoffer een tijdelijke verblijfsvergunning voor de duur van het opsporings- en vervolgingsonderzoek. Voorwaarde voor afgifte van die verblijfsvergunning is dat het slachtoffer medewerking zal verlenen aan dat strafrechtelijk onderzoek.
Het uitgangspunt van de ‘Verblijfsregeling Mensenhandel’ is namelijk dat het de aangiftebereidheid van mogelijke slachtoffers vergroot. En dat kan door hen te beschermen met een tijdelijke verblijfsvergunning.

Het gaat in de ‘Verblijfsregeling Mensenhandel’ om een reguliere verblijfsvergunning op tijdelijke (humanitaire) gronden. Dit staat geheel los van de asielprocedure. Loopt het strafrechtelijk onderzoek na drie jaar nog, dan wordt deze vergunning omgezet in een permanente vergunning. Dat gebeurt ook als de dader in die drie jaar veroordeeld wordt. Maar als het onderzoek of de strafzaak binnen die drie jaar wordt geseponeerd dan verliest het slachtoffer ook de verblijfsvergunning. Vaak zie je dat het onderzoek al binnen enkele weken tot maanden stopt wegens gebrek aan bewijs en de zaak geseponeerd wordt.
Dan kan nog wel een vergunning, op niet-tijdelijke humanitaire gronden worden aangevraagd op grond van individuele bijzondere omstandigheden. Omstandigheden waardoor van het mogelijke slachtoffer niet kan worden verwacht dat hij of zij terugkeert naar zijn land van herkomst (*1). Er wordt dan bijvoorbeeld gekeken naar het risico op wraak door de mensenhandelaar, het risico op vervolging in het land van herkomst of de mogelijkheden voor sociale en maatschappelijke herintegratie in het land van herkomst.

Ook tijdens een asielprocedure kan met het doen van aangifte een beroep worden gedaan op de ‘Verblijfsregeling Mensenhandel’. Asielgerelateerde aspecten (bijvoorbeeld angst voor besnijdenis) worden echter niet meegenomen in een aanvraag op grond van een reguliere verblijfsvergunning mensenhandel. Voor de beoordeling van het relaas geldt ook hier dat de bewijslast in de eerste plaats bij de vreemdeling ligt. Dat is voor een slachtoffer mensenhandel niet anders dan voor een asielzoeker. Dit betekent dat het slachtoffer zelf moet aangeven waarvoor hij/zij vreest en – als die vrees verband houdt met mensenhandel – dit zelf aannemelijk moet maken. Krijgt iemand een (reguliere) verblijfsvergunning op grond van de ‘Verblijfsregeling Mensenhandel’ dan wordt de asielaanvraag afgewezen omdat de vreemdeling al rechtmatig verblijf heeft (*2). Als die verblijfsvergunning wordt ingetrokken of niet wordt verlengd, dan kan worden gekozen voor het (opnieuw) indienen van een asielaanvraag.

Bij iMMO zien we vaak dat een asielrelaas over vloeit in een relaas van een slachtoffer van mensenhandel en omgekeerd. Wanneer iemand uit het land van herkomst moet vluchten uit angst   voor vervolging maar daarbij door een mensensmokkelaar naar Nederland wordt gebracht en in de gedwongen prostitutie belandt; vraagt het slachtoffer dan asiel aan of doet hij of zij aangifte van mensenhandel?

Twee zaken uit de praktijk

Eerste zaak
Een meisje uit een West Afrikaans land wordt thuis mishandeld en op jonge leeftijd aan een oudere man uitgehuwelijkt. Zij vreest voor (her)besnijdenis, vlucht en komt via een mensensmokkelaar terecht in de prostitutie in Nederland. Pas na een aantal weken weet ze te vluchten en doet dan aangifte van mensenhandel. Wanneer de zaak geseponeerd wordt, dient ze alsnog een aanvraag asiel in. Deze wordt afgewezen tot in hoger beroep. iMMO onderzoekt haar en schrijft een rapportage die gebruikt kan worden in een nog lopende aanvraag vergunning niet tijdelijke humanitaire gronden (voortgezet verblijf) of in een herhaalde asielaanvraag.

Tweede zaak
Wegens een valse beschuldiging stelt een West-Afrikaanse man onterecht in de gevangenis te zijn beland. Na een aantal weken weet hij te vluchten. In Nederland wordt hij door de Nederlandse reisagent opgesloten in een huis en onder bedreiging van fysiek geweld wordt hij gedwongen tot seks met andere mannen. Pas na een paar maanden weet hij te ontsnappen. De asielaanvraag wordt afgewezen. Daarna dient hij een aanvraag in op grond van de Verblijfsregeling Mensenhandel. Al na enkele weken wordt zijn aangifte geseponeerd. Hij dient alsnog een aanvraag in voor het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van niet-tijdelijke humanitaire gronden. In de bezwaarfase maakt iMMO een rapportage op. Aan hem wordt daarna alsnog een reguliere verblijfsvergunning verleend, mede op basis van het door het iMMO-onderzoek aannemelijk gemaakte slachtofferschap.

(*1)  Vreemdelingenbesluit art. 3.51, eerste lid aanhef en onder h
(*2)  Art. 30 aanhef en onder b Vw 2000

 

Nieuwsbrief nr. 15, 10 december 2014

De rechtbank in zaken van jongeren

In beide zaken die hier worden besproken, betreft het jongeren waarbij iMMO duidelijk aanwijzingen voor psychische problematiek heeft geconstateerd. De rechtbank volgt de IND die van mening is dat de zaak in de AA-procedure zonder een iMMO-onderzoek afgehandeld kan worden. De advocaten hebben wel tijdig een aanvraag voor iMMO-onderzoek ingediend en iMMO heeft beide aanvragen gemotiveerd toegezegd.

In de eerste zaak (behorend bij Casus 1 van nieuwsbrief nr. 15)
oordeelde de voorzieningenrechter dat een ‘tijdrovend onderzoek’ als een iMMO-onderzoek niet nodig was en dat de aanvraag in de AA-procedure kon worden afgehandeld. (Rechtbank Roermond, Awb 13/30163 en 13/30165). De rechter constateert dat het meisje bij MediFirst zelf heeft aangegeven dat zij gehoord kon worden en dat ze enkel moeite met data kon hebben. Ook blijkt volgens de rechtbank niet uit de gehoren dat zij door psychische problematiek niet in staat was om coherent te verklaren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees de voorlopige voorziening af. Ook het hoger beroep werd in deze zaak door de Afdeling ongegrond verklaard.

De tweede zaak
betreft een 19-jarige man uit een West-Afrikaans land die asiel aanvraagt omdat hij gevlucht is voor (de rituelen van) een geheim genootschap. Zijn vader was daarvan leider en hij moest zijn vader na diens dood opvolgen.

MediFirst stelt geen beperkingen vast, maar verwijst betrokkene wel naar het GCA in verband met medische klachten. Uit het onderzoeksformulier blijkt dat betrokkene onrustig is, verward, zucht en kreunt, en dat er sprake is van dissociatie. Toch stelt MediFirst in het advies dat er geen beperkingen zijn bij horen en beslissen. Uit de informatie van de huisarts (GCA) wordt duidelijk dat het niet zo goed met de jongen gaat. Hij zwerft ’s nachts buiten rond, hij is angstig en gespannen. Hij heeft last van nachtmerries en herbelevingen, hallucineert en krijgt rustgevende medicatie.

In de gehoren komt naar voren dat hij niet goed slaapt; hij heeft last van nare dromen. Ook begrijpt hij niet alle vragen goed en hij antwoordt niet altijd even helder. Soms wordt hij emotioneel. De IND stelt in het voornemen en beschikking vast dat hij geen documenten heeft die zijn identiteit, nationaliteit en reis kunnen onderbouwen en dat van zijn relaas geen positieve overtuigingskracht uit gaat. De IND vindt dat hij onjuist, ongerijmd, bevreemdingwekkend en tegenstrijdig verklaart.

De advocaat dient een aanvraag bij iMMO in. iMMO wijst deze toe, en noemt in haar toezeggingsbrief dat toch sprake lijkt te zijn van beperkingen aangezien MediFirst al spreekt over dissociatie. Ook is zijn psychische problematiek al ruim voor de gehoren bij het GCA bekend.

De (voorzieningen)rechter van rechtbank Roermond acht dat niet voldoende om het beroep aan te houden en een voorlopige voorziening toe te wijzen. Ook stelt de rechtbank vast dat niet onderbouwd is waar in het gehoor aanknopingspunten te vinden zijn dat betrokkene moeite had met het beantwoorden van vragen of dat hij niet consistent heeft kunnen verklaren. Tot slot noemt de rechtbank nog dat uit het asielrelaas niet blijkt dat sprake was van marteling of inhumane behandeling, zodat hij zich afvraagt of het iMMO-onderzoek een ander licht zou kunnen werpen op de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas (Awb 14/5700 en 14/15699). De aanvraag wordt in de AA-procedure afgewezen. De jongen gaat met de iMMO-rapportage een herhaald asielverzoek indienen.

 

Nieuwsbrief nr. 14, 9 oktober 2014

Waardering psychisch medisch steunbewijs

Dit keer worden twee uitspraken uitgelicht waarin het belang van onderzoek naar psychische problematiek naar voren komt. Psychisch medisch steunbewijs krijgt steeds meer betekenis toebedeeld dan voorheen. Dit blijkt uit zowel de uitspraak van de rechtbank Den Bosch als uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna de Afdeling). Hoe omgegaan wordt met beperkingenonderzoek moet zich nog uitkristalliseren.

Uitspraak rechtbank Den Bosch
(24 juli 2014 (AWB 13/32457 en AWB 13/32454))

In deze uitspraak gaat het om een eerste aanvraag uit 2011 van een 30-jarige man uit Azië. De iMMO-rapportage is ingediend tijdens de besluitvormingsfase. De IND wijst de asielaanvraag af, betrokkene heeft bevreemdingwekkend, tegenstrijdig, ongerijmd en opmerkelijk verklaard: het relaas is ongeloofwaardig. Met betrekking tot de iMMO-rapportage stelt de IND dat het medisch steunbewijs niet 100% waterdicht is: de gebeurtenissen zouden ook onder andere omstandigheden hebben kunnen plaatsvinden. MediFirst heeft in haar onderzoek geen beperkingen bij horen vastgesteld, maar wel opgemerkt dat betrokkene littekens heeft. MediFirst heeft hem verwezen naar het GCA voor geestelijke en lichamelijke klachten.

In de iMMO-rapportage worden de littekens en de fysieke klachten als ‘zeer consistent’ beschouwd. De psychische problematiek wordt gezien als ‘typerend’ en deze heeft betrokkene ‘zeer waarschijnlijk’ gehinderd om tijdens de gehoren goed te kunnen verklaren. Het steunbewijs betreft de kern van zijn vrees, en is zeer sterk. De psychische klachten en de daaruit voorvloeiende beperkingen worden met medische stukken onderbouwd.

Aan de hand van jurisprudentie van het EHRM (Europees Hof voor de Rechten van de Mens, hierna EHRM), onder andere RC tegen Zweden 09-03-2010, 41827/07 en RJ tegen Frankrijk 19-09-2013, 10466/11, stelt de rechtbank vast dat de iMMO-rapportage een sterke aanwijzing vormt dat de trauma’s veroorzaakt zijn door de gestelde mishandelingen. De IND kan deze sterke vermoedens alleen weerleggen met nader medisch onderzoek. Bovendien moet de IND de medisch inhoudelijke stukken betrekken bij de besluitvorming. Ook de conclusie uit de iMMO-rapportage dat de psychische problematiek interfereert met het vermogen goed te kunnen verklaren, is medisch van aard en kan eveneens slechts weerlegd worden met nader medisch onderzoek.

De IND heeft inmiddels hoger beroep aangetekend tegen deze uitspraak.

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)
(25 augustus 2014, 201309411/1/V1)

In de uitspraak van de Afdeling gaat het om een eerste aanvraag uit 2011 van een 29-jarige vrouw uit Afrika. Haar aanvraag wordt door de IND afgewezen. De achtergrond van haar relaas (land van herkomst, lidmaatschap van en activiteiten voor oppositie) wordt wel geloofwaardig geacht maar door hiaten, vaagheden en ongerijmdheden wordt haar relaas van gevangenneming, mishandeling en ontsnapping ongeloofwaardig geacht. MediFirst constateerde geen beperkingen bij het horen, en merkte enkel op dat betrokkene af en toe emotioneel wordt als ze praat over de gebeurtenissen uit het verleden, maar dat zij dat zelf niet als belemmering ziet.

In de iMMO-rapportage komt naar voren dat de psychische problematiek ‘typerend’ is voor het relaas en dat er sprake is van ernstige psychopathologie met een groot aantal klachten die betrokkene in het dagelijks functioneren beperken. De ernst van deze stoornis maakt dat deze ‘zeer waarschijnlijk’ ook geïnterfereerd heeft met het vermogen consistent, coherent en compleet te verklaren tijdens de asielgehoren.

De rechtbank Assen (AWB 12/32078) verklaart het beroep ongegrond. Aan de uitspraak van het EHRM in de zaak R.C. tegen Zweden komt geen betekenis toe. Dat is geen vergelijkbare zaak want daarin is sprake van fysiek medisch steunbewijs in plaats van psychisch medisch steunbewijs, zoals in deze zaak. Verder mocht de IND uitgaan van het onderzoek van MediFirst waarin geen beperkingen voor het horen waren vastgesteld en van de verklaringen van betrokkene zelf dat het gehoor goed was gegaan. De iMMO-rapportage die anderhalf jaar later is opgemaakt en die uitgaat van (de geloofwaardigheid van) haar relaas maakt dat niet anders, zo besluit de rechtbank.

De Afdeling overweegt dat de grief die is ingediend met betrekking tot de rol van beperkingen bij het horen (en beslissen) niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak kan leiden. Met betrekking tot het door de rechtbank terzijde leggen van de iMMO-rapportage oordeelt de Afdeling dat de staatssecretaris de iMMO-rapportage niet gerelateerd heeft aan de algemene veiligheidssituatie van het land van herkomst, noch aan wat bekend is over actieve oppositieleden in dat land – het deel van het relaas dat wél geloofwaardig werd beschouwd. De Afdeling verwijst hierin naar haar eigen uitspraak van 19 februari 2014, 201208171/1/V1 (zie Nieuwsbrief 13 van 26 juni 2014). Daarnaast overweegt de Afdeling onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 31 juli 2013, 201211436/1/V4 (zie Nieuwsbrief 10, 24 oktober 2013) dat er wel degelijk sprake is van sterk medisch bewijs in de zin van R.C. tegen Zweden, ook als het ‘slechts’ psychische klachten betreft. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van rechtbank Assen wordt vernietigd en de IND moet opnieuw een besluit nemen.

Concluderend
Uit beide uitspraken blijkt dat psychisch medisch steunbewijs langzamerhand beter gewaardeerd wordt. Verschillende uitspraken van het EHRM spelen daarbij een belangrijke rol. Wil de IND fysiek én psychisch medisch steunbewijs kunnen weerleggen dan lijkt de IND gehouden nader onderzoek te doen. De bewijslast verschuift dan van de asielzoeker naar de staat wanneer sterk medisch steunbewijs overlegd wordt. Óók wanneer er dus (alleen) sprake is van psychisch medisch steunbewijs. In de hierboven behandelde Afdelingsuitspraak wordt voorbij gegaan aan de beperkingen die van invloed waren op het vermogen om te verklaren. Hoe de Afdeling om zal gaan met de conclusie van de rechtbank Den Bosch dat ook beperkingen medisch van aard zijn en alleen met een onderzoek weerlegd kunnen worden, moet zich nog uitwijzen.

 

Nieuwsbrief nr. 13, 26 juni 2014

iMMO vermoedt marteling: nader onderzoek door IND vereist

In februari en maart 2014 deed de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State, de hoogste rechtbank in het asielrecht en hierna genoemd ‘de Afdeling’ of ‘ABRvS’, twee belangrijke uitspraken die het werk van iMMO betreffen. In beide uitspraken wordt door de hoogste bestuursrechter bevestigd dat mogelijke aanwijzingen van foltering nader door de IND onderzocht moeten worden; ook al zijn de aanwijzingen volgens de Istanbul Protocol-gradaties op zichzelf niet heel sterk. Deze waardering komt tegemoet aan de wijze waarop een arts/psycholoog zijn uitspraken doet; foltering valt aan de hand van lichamelijke en psychische bevindingen (vrijwel) nooit sluitend te bewijzen. Maar de aanwijzingen kunnen wel talrijk en in combinatie sterk zijn. //

Uitspraak ABRvS 19 februari 2014 (201208171/1/V1)
In deze zaak werd een medische rapportage overlegd van de MOG (Medische Onderzoeksgroep van Amnesty International), voorloper van iMMO. Volgens de gradaties van het Istanbul Protocol werd daarin door de betrokken arts geconcludeerd dat zowel de littekens als de psychische klachten ‘consistent zijn met’ het door betrokkene weergegeven relaas. Dat betekent dat de littekens en klachten van betrokkene mogelijk door het in het asielverzoek genoemde geweld zijn veroorzaakt maar dat het niet uitsluit dat er ook andere oorzaken zijn.

De Afdeling vat jurisprudentie samen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, o.a. R.C. tegen Zweden van 09 maart 2010 – 41827/07, I. tegen Zweden van 05 september 2013 – 61204/09 en R.J. tegen Frankrijk van 19 september 2013, 10466/11 – zie ook iMMO-Nieuwsbrief nr. 11): een medische rapportage kan een sterke aanwijzing zijn voor marteling. Dit kan een staat ertoe verplichten nader onderzoek naar dit bewijs te laten verrichten. Of dat noodzakelijk is, moet de staat beoordelen mede in het licht van de persoonlijke situatie van de asielzoeker en tegen de achtergrond van de algemene situatie in het land van herkomst. Dat delen van het asielrelaas ongeloofwaardig zijn, staat deze verplichting tot nader onderzoek niet in de weg.

De Afdeling overweegt in deze zaak dat de staatssecretaris heeft nagelaten het MOG-rapport te beoordelen in het licht van de persoonlijke situatie van betrokkene maar ook niet heeft gerelateerd aan de veiligheidssituatie in het land van herkomst. Voor iMMO is belangrijk dat de Afdeling stelt dat de waardering van de littekens en klachten als ‘consistent met’ weliswaar minder ver strekt dan ‘typerend voor’ of ‘kenmerkend voor’, maar dat dit niet betekent dat de staatssecretaris daarom niet een deskundige zou moeten inschakelen. De Afdeling verwijst ook naar de uitspraak van 31 juli 2013 – 201211436/1/V4, zie iMMO-Nieuwsbrief nr.10).

Uitspraak ABRvS 13 maart 2014 (201306115/1/V4)
Enkele weken later doet de Afdeling uitspraak onder verwijzing naar bovenstaande.

In deze zaak wordt de asielaanvraag van een 30-jarige man uit een Afrikaans land afgewezen om de volgende redenen: betrokkene verklaart wisselend, vaag, summier en bevreemding wekkend; er is geen sprake van positieve overtuigingskracht. In het eerste medisch advies van MediFirst worden geen medische beperkingen vastgesteld en betrokkene kan worden gehoord. Na het nader gehoor waar betrokkene duidelijk last had van misselijkheid en braken en na het uitbrengen van het voornemen, wordt op aandringen van de advocaat een herbeoordeling door MediFirst uitgevoerd. Daarin staan wel beperkingen vermeld, namelijk (uitingen van) nervositeit c.q. braken. Volgens MediFirst leidt dat niet tot veranderingen in concentratie of het geheugen. Daarop vraagt de advocaat een iMMO-rapportage aan, die drie maanden later gereed is.

De advocaat tekent beroep aan tegen de beslissing van de IND en dient de iMMO-rapportage in. In deze beroepsprocedure stelt de IND dat ervan uitgegaan mocht worden dat betrokkene wel kon worden gehoord en dat er in deze casus geen medische beperkingen relevant voor het horen zouden zijn vastgesteld. Daarnaast noemt de IND dat de iMMO-rapportage niet inzichtelijk en concludent is en dat de conclusies ‘zeer consistent met’ en ‘consistent met’ ruimte laten voor andere oorzaken van de littekens. De rechtbank verklaart het beroep van de advocaat echter gegrond (Awb 12/8051) en overweegt dat het onderzoek bij MediFirst een algemeen oriënterend medisch onderzoek is. Daarnaast vindt de rechter dat louter kritische kanttekeningen op de iMMO-rapportage onvoldoende zijn om af te doen aan dat deskundigenadvies. De IND had nader (medisch) onderzoek moeten doen.

Hiertegen tekent de staatssecretaris hoger beroep aan. Hij stelt dat de iMMO-rapportage geen afbreuk doet aan de conclusies van MediFirst en dat voldoende rekening is gehouden met eventuele beperkingen tijdens het horen. Nader onderzoek naar het MediFirst-advies was dan ook niet noodzakelijk.

De Afdeling oordeelt, onder verwijzing naar de hierboven genoemde uitspraak (Uitspraak ABRvS 19 februari 2014 (201208171/1/V1)), dat het door de staatssecretaris aangevoerde geen vragen opwerpt die in algemene zin beantwoording behoeven en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond. Dit betekent dat de hoogste rechter vasthoudt aan het eerder ingenomen standpunt ten aanzien van de waarde van een medisch deskundigenrapportage van iMMO.

 

Nieuwsbrief nr. 12, 8 april 2014

Medisch steunbewijs en beperkingen als nieuw feit in herhaalde asielaanvragen (hasa’s)

Er zijn herhaalde asielaanvragen met een iMMO-rapportage ingediend waar de IND (mede) op grond van die nieuwe informatie heeft besloten alsnog een vergunning te verlenen. De Afdeling Bestuursrecht Raad van State (ABRvS) heeft de afgelopen maanden echter in een aantal herhaalde asielaanvragen uitspraken gedaan waarin de Afdeling een iMMO-rapportage niet als novum (nieuw feit) beschouwt (4:6 Awb). De Afdeling stelt dat de rapportage eerder ingebracht had kunnen (en moeten) worden. Wij geven twee voorbeelden met toelichting. //

Casus 1
Betrokkene is een 25-jarige vrouw uit Afrika. Ze helpt haar man met het verspreiden van materiaal voor een politieke partij. Bij een inval door de politie wordt ze gevangen genomen. In de gevangenis wordt ze verhoord, geslagen en meermalen verkracht. Ze weet te ontsnappen en vraagt asiel aan in Nederland. De eerste aanvraag wordt in de AA-procedure afgewezen. Twee jaar later vraagt ze opnieuw asiel aan en overlegt daarbij een iMMO-rapportage.

Bij de eerste aanvraag constateert MediFirst dat sprake is van medische problematiek die van invloed kan zijn op het verklaren van betrokkene. MediFirst noemt emotionaliteit, concentratieproblemen en gevoelens van schaamte en schuld.

In de iMMO-rapportage wordt geconcludeerd dat het gaat om een getraumatiseerde vrouw met PTSS en ernstig depressieve klachten. Daardoor kan betrokkene niet of met zeer grote moeite vertellen over de gebeurtenissen. Door vermijding, schaamte en schuldgevoel had zij tijdens de eerste asielaanvraag last van een verminderd functioneren van geheugen. iMMO merkt op dat betrokkene tijdens de gehoren emotioneel was, vaak stil viel, timide oogde, korte antwoorden gaf en vage verklaringen aflegde. Mogelijk was er sprake van herbelevingen en/of dissociatie.

Procedure
De voorzieningenrechter verklaart  het beroep in de herhaalde asielaanvraag gegrond en merkt de iMMO-rapportage als novum aan. De rechtbank volgt de iMMO-rapportage in haar conclusies ten aanzien van de beperkingen. In het kader van zorgvuldige besluitvorming had de IND, gezien haar psychische klachten, nader onderzoek moeten doen  naar de wijze waarop de verklaringen van betrokkene beoordeeld moeten worden.

De staatssecretaris stelt in het hoger beroep dat de voorzieningenrechter het IMMO-rapport ten onrechte als novum heeft aangemerkt en ten onrechte heeft overwogen dat hij artikel 3:2 Awb heeft geschonden door geen nader onderzoek naar de psychische gesteldheid van de vreemdeling te verrichten. De staatssecretaris betoogt, onder verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 28 juni 2012 (201113489/1), dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het IMMO-rapport op verzoek van de vreemdeling is opgesteld en dat zij geen verklaring heeft gegeven waarom zij dit rapport niet in de eerste procedure heeft laten opstellen.

Uitspraak ABRvS, 201211051/1
De Afdeling overweegt: De vreemdeling heeft geen in rechte te honoreren verklaring gegeven waarom zij een dergelijk rapport niet al heeft kunnen laten opstellen en overleggen in de procedure die tot het in rechte onaantastbaar worden van het besluit heeft geleid. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter het IMMO-rapport ten onrechte aangemerkt als novum. Het hoger beroep van de staatssecretaris  is kennelijk gegrond. 

 

Casus 2
Betrokkene is een man afkomstig uit West-Afrika. Zijn biologische ouders zijn vermoord, waarna hij op straat leeft. Door zijn latere adoptieouders wordt hij lichamelijk en geestelijk mishandeld. Wanneer zijn adoptieouders worden aangehouden, wordt hij gevangen genomen en in de gevangenis meerdere keren gemarteld. Hij weet te ontsnappen en vlucht naar Nederland waar hij asiel aanvraagt; hij is dan 22 jaar oud. De eerste aanvraag wordt afgewezen in de verlengde asielprocedure, de advocaat dient geen gronden van beroep in waardoor betrokkene uitgeprocedeerd raakt. Met dezelfde advocaat dient betrokkene direct daarna een herhaalde asielaanvraag in. Betrokkene meldt daarbij zelf wel dat hij bij de eerste aanvraag wegens trauma niet alles kon vertellen, maar de advocaat brengt in zijn begeleidende brief bij de hasa alleen algemene gronden in. De hasa wordt direct afgewezen, tot in hoger beroep. Betrokkene dient drie jaar later opnieuw een herhaalde asielaanvraag in en overlegt daarbij de iMMO-rapportage.

Toen betrokkene de eerste keer asiel aanvroeg, bestond MediFirst nog niet. Betrokkene meldt zich een enkele keer bij de medische dienst, wel met klachten van slecht slapen en nachtmerries. Enkele jaren later is betrokkene in behandeling bij de GGZ en worden psychotische klachten en PTSS gerapporteerd.

In de iMMO-rapportage wordt geconcludeerd dat zowel de littekens als de causale relatie tussen de psychische klachten en de gestelde geweldsincidenten zeer consistent zijn. Er is sprake van een psychose en ernstige psychische problematiek. In de gehoren bij de eerste aanvraag weet betrokkene veel vragen niet te beantwoorden. Op sommige vragen antwoordt hij ‘nog veel langer te kunnen vertellen’. Ook maakt hij melding van littekens, als bewijs op zijn lichaam, ten gevolge van alle mishandeling. Het is mogelijk, misschien zelfs waarschijnlijk, dat ook bij de eerste asielaanvraag al sprake was van psychische problematiek die interfereerde met consistent, coherent en compleet kunnen verklaren.

Procedure
De rechtbank verklaart het beroep van betrokkene gegrond en ziet de iMMO-rapportage als novum. Ten tijde van eerdere asielaanvragen was sprake van psychische problematiek zodat aan de afgelegde verklaringen van betrokkene niet de waarde kan worden gehecht die de IND daaraan destijds heeft gehecht en nog steeds hecht. Betrokkene wist op veel vragen geen antwoord te geven, dit heeft volgens de rechtbank een belangrijke zo niet doorslaggevende rol gespeeld bij de beslissing het relaas ongeloofwaardig te achten. De summiere verklaringen kwamen mogelijk voort uit de toen al aanwezige psychische problematiek. Gelet op zijn huidige medische situatie, de conclusie van iMMO en de twee aanvullende reacties van iMMO naderhand, had de IND nader medisch onderzoek moeten laten doen naar de psychische problematiek van betrokkene.

De staatssecretaris stelt in het hoger beroep dat de rechtbank het iMMO-rapport ten onrechte als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid heeft aangemerkt en tevens ten onrechte heeft overwogen dat hij artikel 3:2 Awb heeft geschonden door geen nader onderzoek te doen naar de psychische gesteldheid van de vreemdeling ten tijde van diens eerste asielprocedure. Onder verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 28 juni 2012 (201113489/1) voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het iMMO-rapport pas zes jaar na de eerste asielprocedure is overlegd en door de vreemdeling geen verklaring is gegeven waarom hij dit rapport niet eerder heeft kunnen overleggen. Uit de gehoren in de eerste procedure blijkt op geen enkele wijze van psychische problematiek en dit is evenmin op enig ander moment in de procedure naar voren gekomen.

ABRvS, 201309467/1
De Afdeling overweegt: De vreemdeling heeft geen in rechte te honoreren verklaring gegeven waarom hij een dergelijk rapport niet al heeft kunnen laten opstellen en overleggen in de procedure die tot het in rechte ontastbaar worden van het eerste besluit heeft geleid. Dat het iMMO in 2012 met haar werkzaamheden is gestart en de vreemdeling niet eerder dan toen naar zijn huidige gemachtigde is verwezen, is niet een zodanige verklaring. Dit laat immers onverlet dat de vreemdeling of diens toenmalige gemachtigde, indien daartoe aanleiding bestond, een andere instantie dan het iMMO had kunnen verzoeken een medische rapportage op te stellen. De rechtbank heeft het iMMO-rapport derhalve ten onrechte aangemerkt als rechtens relevant novum. Het hoger beroep van de staatssecretaris  is kennelijk gegrond.

Concluderend
In beide cases hebben zowel de advocaat als de IND nagelaten iets te doen met de aanwijzingen in de gehoren van betrokkenen van psychische problematiek die het consistent, coherent en compleet verklaren belemmerde. Er is geen onderzoek aangevraagd bij een medisch deskundige. Dit laat zien hoe belangrijk het is dat aanwijzingen van medische problematiek in een vroeg stadium actief worden gesignaleerd en dat daarnaar gehandeld wordt.

De Afdeling schuift het eerder door de rechtbank erkende medisch steunbewijs terzijde omdat het geen novum zou zijn. Daarmee gaat de Afdeling voorbij aan de veel voorkomende mogelijkheid  dat mensen met psychische klachten bij een eerste asielaanvraag niet altijd in staat zijn consistent, coherent en compleet te verklaren, dan wel dat wegens psychische redenen pas in een later stadium verklaard kan worden over een veel eerder plaats gevonden trauma. Dit wordt ook vastgesteld in veel wetenschappelijk onderzoek dat naar de werking van trauma is verricht. Het is dus geen wonder dat juist deze doelgroep pas in de herhaalde asielaanvraag (alsnog) een iMMO-rapportage overlegt.

De lijn van de Afdeling volgend is het belangrijk dat in een zo vroeg mogelijk stadium van de asielprocedure een iMMO-rapportage wordt aangevraagd. Was dat niet mogelijk en wordt een beroep op iMMO gedaan ten behoeve van een herhaalde aanvraag, dan moet  duidelijk zijn waarom niet eerder om een rapportage gevraagd kon worden. Dat iMMO nog niet bestond is geen argument (blijkt uit de tweede casus). Psychische problematiek die leidde tot een verminderd of veranderend geheugen, tot concentratieverlies, tot zwijgen, wantrouwen, vermijding of ontkenning is wel een belangrijk argument.

 

Nieuwsbrief nr. 11, 10 december 2013

RJ tegen Frankrijk, EHRM, 19 september 2013 (JV 2013/375)

NB. Onderstaande jurisprudentie komt niet voort uit een iMMO-onderzoek maar gezien het belang ervan voor medisch onderzoek in de asielprocedure wordt de uitspraak hier opgenomen.

In deze zaak geeft het Europees Hof een verdere invulling aan de onderzoeksplicht van de autoriteiten. Deze zijn gehouden aanvullend onderzoek te verrichten indien uit een medisch onderzoek aanwijzingen van marteling blijken. Niet noodzakelijk is dat een medisch document expliciete conclusies trekt omtrent de herkomst van het letsel. Deze uitspraak vormt een aanscherping van de uitspraak RC tegen Zweden (EHRM 9 maart 2010).

Vervolg
De omkering van de bewijslast wordt voortgezet: schending van art 3 EVRM wordt reeds aangenomen zolang de autoriteiten de medische aanwijzingen van marteling niet door middel van een grondig onderzoek hebben weerlegd. Geloofwaardigheidsproblemen –ongeloofwaardige en onsamenhangende of vage verklaringen- laten de bewijslast niet terugveren. Het Hof wijkt hiermee af van de gebruikelijke redenering, dat slechts het voordeel van de twijfel wordt gegeven als het relaas in grote lijnen geloofwaardig is verklaard.

Bij publicatie van de uitspraak (JV2013/375) schrijft advocaat F. Schüller een noot. Schüller stelt hierin dat de Raad van State (RvS) een exclusieve waarde aan iMMO-rapportages lijkt te hechten. In tegenstelling tot de uitspraak van het Europees Hof eist de RvS echter een nader onderzoek door de staat indien het iMMO-onderzoek aan het geconstateerde letsel de Istanbul Protocol-gradatie typerend heeft  toegekend. Daarmee werpt de RvS een hogere drempel op dan het Hof voor de bewijslast. Uit het arrest RJ tegen Frankrijk volgt immers dat reeds bij een aanwijzing van een verband tussen het letsel en de gestelde marteling de autoriteiten gehouden zijn tot nader onderzoek. iMMO volgt deze jurisprudentie met belangstelling.

 

Nieuwsbrief nr. 10, 24 oktober 2013

Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 31 juli 2013; 201211436-1-4

Een voor iMMO belangrijke uitspraak sprak de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uit op 31 juli 2013. Hierin oordeelt de Afdeling dat de conclusie van het iMMO-rapport een sterke aanwijzing geeft dat het bij de vreemdeling vastgestelde trauma is veroorzaakt door de gestelde marteling. In het licht van de uitspraak R.C. tegen Zweden van het Europese Hof is het vervolgens aan de staatssecretaris om daar nader onderzoek naar te doen[1]. Het belang van deze uitspraak is vierledig. Allereerst is van belang dat het iMMO-onderzoek als deskundigenbericht serieus werd genomen. Ten tweede wordt van medisch steunbewijs niet verwacht dat het absolute bewijskracht levert. De conclusie in de iMMO-rapportage dat er sprake is van de Istanbul Protocol-gradatie ‘typerend’ laat weliswaar nog beperkte ruimte voor andere oorzaken dan het relaas maar is een dermate sterke aanwijzing voor de gestelde oorzaak dat hieraan niet zonder nader onderzoek voorbij kan worden gegaan Maar misschien nog wel belangrijker is dat het in deze zaak ging om psychisch steunbewijs. Hiermee hebben psychische restverschijnselen van marteling, dezelfde zeggingskracht inzake causaliteit en medisch steunbewijs als littekens of andere fysieke verschijnselen. Vanuit medisch oogpunt is dit niet meer dan logisch. Ten slotte wordt hiermee een eerdere uitspraak van de afdeling over medisch steunbewijs, gebaseerd op de uitspraak van het Europese Hof, bevestigd[2].

Vervolg
Betrokkene is een 25-jarige Iraanse vrouw als zij in 2009 zeer actief wordt binnen een politieke beweging. Hiertoe besluit zij nadat haar oom overlijdt als gevolg van mishandelingen tijdens een demonstratie in 2009. Daarop wordt zij door haar universiteit geweigerd. Haar studie economisch management mag zij niet verder vervolgen. Sinds 2010 verspreidt zij een politiek georiënteerde krant. In februari 2012 heeft zij in een park afgesproken om de krant – met daarin de aankondiging van een demonstratie- te verspreiden. Terwijl zij naar een vriendin loopt om de kopieën te overhandigen, voelt zij een klap op haar hoofd en raakt buiten bewustzijn. Zij komt bij in een gevangenis waar ze 10 dagen in voorarrest zit. Ze is opgesloten in een cel van 1 bij 2 meter, zonder licht, toilet, matras of deken. Als zij haar behoefte moet doen, wordt ze gedwongen te ‘betalen’ met seks. In deze 10 dagen wordt zij veelvuldig betast en twee keer verkracht. De eerste keer is ze naakt, geblinddoekt en vastgebonden aan de verwarming. De tweede keer wordt ze geslagen en zowel vaginaal als anaal verkracht door twee mannen.  Bij beide keren verzet zij zich hevig. Betrokkene wordt na 10 dagen veroordeeld tot 10 jaar gevangenisstraf en overgeplaatst naar een andere gevangenis. Hier krijgt ze heftige vaginale bloedingen en wordt zij naar de medische afdeling verplaatst. Omdat zij meer hulp behoeft, wordt zij naar een ziekenhuis overgebracht alwaar ook kanker wordt gediagnosticeerd. Na enige tijd helpt haar behandelend vrouwelijke arts  haar te ontsnappen uit het ziekenhuis. Zij duikt onder bij vrienden en twee weken later vlucht betrokkene het land uit. Zij arriveert op 26 maart 2012 in Nederland.

De IND acht haar politieke activiteiten en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig en wijst haar asielverzoek op 24 april 2012 af. Er wordt een iMMO-onderzoek aangevraagd en mevrouw gaat met haar advocaat in beroep. De behandeling daarvan vindt op  6 juli 2012 plaats. De rechtbank besluit de behandeling aan te houden zodat het reeds door de advocaat aangevraagde iMMO-onderzoek kan worden afgewacht.

De iMMO-rapporteur kwalificeert de causale relatie tussen de psychische klachten en het relaas van betrokkene over de detentie en het daarbij ondergane seksuele geweld binnen de gradaties van het Istanbul Protocol, als ‘typerend’. Ten aanzien van de beperkingen stelt de rapportage dat de psychische problematiek van dien aard is dat dit ‘zeer waarschijnlijk’ interfereert met het vermogen van betrokkene om –zowel ten tijde van de gehoren als ten tijde van de rapportage- compleet, coherent en consistent het asielrelaas te kunnen doen.

De advocaat dient de rapportage op 30 oktober 2012 in bij de rechtbank. De rechter stelt dat het rapport niet tot een ander oordeel leidt nu het rapport geen uitsluitsel biedt met betrekking tot de oorzaak van de klachten. De IND heeft de detentie en de verkrachting ongeloofwaardig kunnen achten.  Daarbij stelt de rechtbank dat de iMMO-rapportage concludeert dat betrokkene zeer waarschijnlijk minder goed in staat was een volledig, samenhangend en eenduidig asielrelaas naar voren te brengen, maar dat haar dit niet is tegengeworpen. Haar is tegengeworpen dat de verklaringen over de ontsnapping uit het ziekenhuis en haar onderduikperiode bij vrienden bevreemdingwekkend en ongerijmd zijn. Hiervoor geeft de iMMO-rapportage geen verklaringen. De rechtbank verklaart het beroep op 5 december 2012 ongegrond.

De advocaat stelt vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met daarbij een uitgebreide schriftelijke reactie op het vonnis van iMMO. De staatssecretaris stelt in het verweerschrift dat de iMMO-rapportage niet volledig, inzichtelijk en concludent is en daarom niet kan gelden als medisch steunbewijs. De Afdeling oordeelt op 31 juli 2013 dat de conclusie typerend volgens punt 187 onder d van het Istanbul Protocol, een sterke aanwijzing geeft dat het bij betrokkene vastgestelde trauma is veroorzaak t door de gestelde mishandeling of marteling en dat het -mede gelet op het arrest R.C. tegen Zweden- op de weg van de staatssecretaris had gelegen om daar nader onderzoek naar te verrichten. Dat heeft de staatssecretaris niet gedaan en de rechtbank niet onderkend. De staatssecretaris plaatst kritische kanttekeningen bij de rapportage op het vlak van de medische beoordeling. De Afdeling geeft aan dat de staatssecretaris de mogelijkheid open staat het BMA in te schakelen. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van de IND. Deze zal een nieuwe beslissing moeten nemen op de asielaanvraag.

 

Vervolg casus 1, Drie keer AA, Nieuwsbrief 6, 25 juni 2012

In onze nieuwsbrief van 25 juni 2012 hebben wij u in het artikel ‘Drie keer AA’  bericht over de al dan niet aanwezige bereidwilligheid van de rechtbank om in een AA-procedure de inbreng van een iMMO-rapportage af te wachten. Wij bespraken toen drie cases. In de eerste twee besloot de voorzieningenrechter  een iMMO-rapportage af te wachten , in de derde zag de voorzieningenrechter hier geen aanleiding voor en  besliste direct op beroep. De eerste casus brengen we graag nogmaals onder uw aandacht, dit gezien het bijzondere verloop van de procedure.

Betrokkene is een 23 jarige man uit Nepal die als student actief lid werd van een aan een politieke partij verwante studentenbeweging.  Door rebellen van een communistische jongerenpartij is hij in het bijzijn van zijn ouders uit huis gehaald en meegevoerd naar een afgelegen bos waar hij langdurig en ernstig werd mishandeld.  Hij vluchtte uiteindelijk naar Nederland waar zijn aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning in april 2012 werd afgewezen. Zijn advocaat diende beroep in en verzocht de rechtbank in afwachting van de iMMO-rapportage de zaak nog niet inhoudelijk te behandelen. Die voorlopige voorziening werd toegewezen. De rechtbank was bereid de iMMO-rapportage af te wachten. Helaas kon het  iMMO-onderzoek geen doorgang vinden omdat de advocaat  zijn cliënt inmiddels  niet meer kon bereiken. Deze was MOB (met onbekende bestemming vertrokken). Betrokkene had na het ontvangen van het voornemen namelijk begrepen dat hij niet langer in Nederland mocht blijven. Landgenoten vertelden hem dat hij op korte termijn zou worden uitgezet als hij niet zelfstandig zou vertrekken.

 

Vervolg
Betrokkene was doodsbang om terug te moeten naar Nepal. Hij was bang vermoord te worden en vreesde dat zijn familie weer in de problemen zou komen. Hierop is hij via België naar Frankrijk gereisd waar hij uiteindelijk samen met drie anderen  in een auto werd aangehouden door de politie. Betrokkene werd meegenomen, opgesloten in een cel en diverse keren verhoord. Een dag later werd hij vrijgelaten en door de politie afgezet op de trein naar Parijs. Daar heeft hij enkele maanden rondgezworven. Op een gegeven moment heeft hij in een cybercafé zijn e-mail gecheckt en trof een bericht van zijn advocaat dat enkele weken daarvoor  was verzonden. Uit de mail bleek dat betrokkene niet uit Nederland zou worden uitgezet in afwachting van het iMMO-onderzoek. Betrokkene is vervolgens in oktober 2012 teruggegaan naar Nederland en heeft zich gemeld voor verblijf in een opvangcentrum. In december 2012 vond het iMMO-onderzoek plaats waaruit bleek dat de psychische klachten van betrokkene ‘typerend’ zijn als gevolg van de gestelde mishandeling. Daarbij stelde de rapporteur dat de problematiek ten tijde van de gehoren en ten tijde van de rapportage ‘zeker’ interfereerde met het vermogen om compleet, coherent en consistent het asielrelaas te kunnen doen. De rapportage  werd door de advocaat ingediend bij de IND en de rechtbank. Het beroep werd vervolgens ingetrokken en op 26 augustus 2013 werd de aanvraag alsnog ingewilligd. Betrokkene heeft een vergunning verkregen op de a-grond.

 


[1] EHRM 9 maart 2010, appl.no 41827/07 (RC. V. Sweden)

[2] ABRvS 17 augustus 2011, nr. 201005185/1/V2, ve 11001973.

 

 

Nieuwsbrief nr. 9, 26 juni 2013

Een 23 jarige man, afkomstig uit Sri Lanka werd in 2007 aangehouden en gearresteerd door het Sri Lankaanse leger op verdenking van lidmaatschap van de LTTE (Tamil Tijgers). Hij werd 16 dagen vastgehouden en dagelijks gemarteld in verband met verdenking van LTTE lidmaatschap. De man werd vastgehouden in een ruimte van 2 bij 2 meter, zonder daglicht, zonder toilet. Hij kreeg onregelmatig en onvoldoende voedsel en water. Als hij daarom vroeg werd hij gestraft door middel van nieuwe mishandelingen. Vaak werd hij bewusteloos geslagen en vervolgens aan zijn lot overgelaten. Over de martelingen vertelt hij: ‘Ik werd met handen en voeten geslagen en met een riem tegen de kuiten. Ook schopten de militairen mij met hun laarzen waar scherpe dingen aan zitten die in je blijven haken. Ook tegen mijn penis.  Ze hebben me met peuken gebrand’. Hij werd ook anaal verkracht door een dronken militair; door schaamte heeft hij dit niet eerder verteld.

Vervolg
Sinds de martelingen heeft hij veel medische en psychische problemen. Door tussenkomst van de kerk is hij vrijgekomen en hij heeft het land kunnen ontvluchten. Op 11 juni 2008 dient hij zijn eerste asielaanvraag in. Deze wordt afgewezen. Daarna volgen nog zeven asielaanvragen. Drie daarvan heeft betrokkene zelf ingetrokken. De andere vier worden afgewezen omdat de IND zijn asielrelaas niet geloofwaardig acht , de nieuw ingebrachte documenten niet van echtheid overtuigen en er volgens de IND geen sprake is van nova. Ook de achtste aanvraag wordt bij beschikking op 11 oktober 2012 afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep wordt echter gegrond verklaard zodat de IND opnieuw een besluit moet nemen. Op dat moment dient de advocaat een iMMO-rapportage in. De advocaat heeft het iMMO verzocht te onderzoeken of het aannemelijk is dat de medische klachten van de man zijn voortgekomen uit de door hem gestelde asielmotieven. Aangezien bij de bespreking van het Eerste Gehoor al duidelijk werd dat de man somber en afwezig was en moeite had om de vragen te volgen en te begrijpen werd het iMMO ook verzocht te onderzoeken of er ten tijde van het onderzoek maar ook ten tijde van de gehoren sprake zou kunnen zijn van beperkingen om goed te kunnen verklaren. Uit de rapportage blijkt dat de rapporteur de littekens en de lichamelijke klachten van betrokkene naar aard en inhoud ‘zeer consistent’ acht met het asielrelaas. Voor de psychische klachten van betrokkene acht de rapporteur, gezien de aard en inhoud van de symptomen, de Istanbul Protocol gradatie ‘typerend’ van toepassing. Tenslotte stelt de rapporteur dat het ‘zeer waarschijnlijk’ is dat de psychische problemen zowel ten tijde van het onderzoek als ten tijde van de eerdere asielaanvragen interfereren met het vermogen van betrokkene om compleet, coherent en consistent relaas te kunnen doen. De IND besluit op 3 mei 2013 de aanvraag in te willigen. In de beschikking wordt de ingebrachte iMMO-rapportage weliswaar niet genoemd, deze lijkt echter wel van doorslaggevende betekenis te zijn geweest. 


Nieuwsbrief nr. 8, 26 april 2013

Hoewel zeldzaam kan in de beroepsfase, als het onderzoek van de rechtbank ter zitting al is gesloten, een zaak heropend worden – zolang er nog geen uitspraak is gedaan. In de afgelopen maanden is in twee verschillende zaken door omstandigheden pas ná sluiting van het onderzoek door de rechtbank, een iMMO-rapportage ingebracht. In de ene zaak wilde de rechtbank niet wachten op de vooraf aangekondigde iMMO-rapportage en heeft de zitting laten doorgaan. Na behandeling van de zaak, maar voorafgaande aan de uitspraak heeft de rechtbank op grond van de alsnog ingediende iMMO-rapportage de zaak heropend en de IND gelegenheid gegeven te reageren op de rapportage van iMMO. De IND besluit daarop de betreden beschikking in te trekken en verzoekt de advocaat het beroep in te trekken. Bij de nieuwe beschikking verleent de IND betrokkene alsnog een status.
In de andere zaak zag de rechtbank geen aanleiding de rapportage alsnog mee te nemen in het onderzoek. De advocaat tekende daartegen hoger beroep aan, waar nog niet op is beslist. In een recentere zaak, heeft de IND de aanvraag afgewezen. Betrokkene is in beroep gegaan en vraagt een voorlopige voorziening aan. Tijdens de behandeling daarvan oordeelt de voorzieningenrechter met verwijzing naar eerdere jurisprudentie, dat de IND de uitslag van het iMMO-onderzoek moet mee nemen in haar overwegingen.
Ten slotte nog een zaak waarin de rechter heeft besloten dat de IND opnieuw moest oordelen met inbegrip van de inhoud van het iMMO-rapport. Begin februari jongstleden werd de asielaanvraag alsnog toegewezen. Veel zaken waarvoor een iMMO-onderzoek werd verricht, liggen nog bij de rechter.

 

Rechtbank ‘s-Gravenhage, nevenzittingplaats Arnhem, 10 september 2012, zaaknummers AWB 11/31014 (beroep) en AWB 11/31016 (voorlopige voorziening)

Betrokkene is een man uit Armenië die op 8 april 2010 asiel aanvroeg in Nederland. Nadat hij in 2008 verkiezingsfraude constateerde, werd hij gearresteerd, mishandeld en naar een psychiatrische inrichting gebracht. Na een jaar kon hij worden bevrijd en vluchtte hij met vrouw en kinderen, eerst naar Georgië en daarna naar Nederland.

Betrokkene is niet gezien door MediFirst omdat ten tijde van de aanvraag, MediFirst nog niet actief was. Al bij aanvraag kwamen er signalen van zowel VluchtelingenWerk als de advocaat dat er sprake was van psychische problematiek bij betrokkene. De advocaat diende de Signaleringslijst Psychische Problemen in bij de IND, samen met de correcties en aanvullingen op het eerste gehoor. In het voornemen stelt de IND echter dat er geen rapport van een arts is overlegd waaruit zou blijken dat betrokkene niet gehoord kon worden. Ook zou dat niet zijn gebleken uit de signaleringslijst. Bij de zienswijze onderbouwt de advocaat de psychische toestand van betrokkene met een aantal documenten van behandelaars.

De IND wijst de aanvraag in augustus 2012 af op grond van het ontbreken van reis-, identiteits-, en nationaliteitsdocumenten en omdat zijn verklaringen wisselend, vaag, niet logisch en bevreemding wekkend zouden zijn. Zijn verhaal -en de gestelde gevolgen- zijn daarom grotendeels niet geloofwaardig. Wat betreft zijn medische situatie heeft de IND het BMA ingeschakeld. Uit dat advies blijkt dat er geen sprake is een medische noodsituatie en dat er voorzieningen en opvang zijn in het land van herkomst.

De advocaat stelt beroep in bij de rechtbank. Op 16 oktober 2010 had de advocaat al, bij (dan nog) de MOG van Amnesty, een medisch onderzoek voor betrokkene aangevraagd. In verband met het opvragen van gegevens, het uitzoeken van de zaak en de overgang naar iMMO bericht iMMO eerst op 31 mei 2012 dat er onderzoek gedaan zal worden. De advocaat vraagt uitstel van de zitting op 28 juni 2012 maar de rechtbank gaat niet akkoord. Het iMMO-onderzoek vindt  plaats op 9 augustus 2012. De rapportage wordt door de advocaat alsnog ingebracht op 30 augustus 2012 – er is nog geen uitspraak – met het verzoek om heropening van het onderzoek. Op 10 september stelt de rechtbank dat de conclusies uit de iMMO-rapportage relevant kunnen zijn voor de procedure en geeft de IND gelegenheid te reageren op de rapportage van iMMO. De rechtbank heropent daarmee het onderzoek. Naast de iMMO-rapportage brengt de advocaat daarop ook nog een reactie  van de behandelend psychiater van betrokkene in.

De IND heeft inmiddels de bestreden beschikking ingetrokken en aan betrokkene alsnog een vergunning op de a-grond verleend. Helaas wordt bij een toekenning door de IND niet gemotiveerd of de iMMO-rapportage een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de  beschikking.

 

Rechtbank ‘s-Gravenhage, nevenzittingplaats ‘s-Hertogenbosch, 25 januari 2013, zaaknummer AWB 13/353 (voorlopige voorziening). 

Betrokkene is een man (1988) uit Oeganda die begin januari 2013 een aanvraag asiel indiende. De IND wees de aanvraag af in de AA-procedure. Betrokkene diende beroep in en vroeg een voorlopige voorziening aan.

Het asielrelaas komt kort op het volgende neer: de vader van betrokkene was een beroepsmilitair in het regeringsleger. Betrokkene moest voor hem tassen met wapens en geld bezorgen of benzine halen. Hij werd opgepakt, beschuldigd van landverraad en samenwerking met de rebellen en maandenlang (seksueel) mishandeld en gemarteld. Via een bevriend soldaat wist hij te ontsnappen.

Betrokkene is gezien door MediFirst. Hij kan gehoord worden, maar geeft aan dat zitten pijnlijk is. Hij is bij het GCA bekend, en er zijn enkele littekens waargenomen.

De IND vindt het relaas van betrokkene ongeloofwaardig. De littekens en gezondheidsklachten bieden geen uitleg voor zijn vage en summiere verklaringen. Ook is onduidelijk hoe deze klachten en littekens zijn ontstaan. Betrokkene staat niet onder medische behandeling en er is geen sprake van een levensbedreigende situatie.

Het iMMO heeft laten weten op grond van zorgvuldige bestudering van de medische en juridische stukken een medisch onderzoek te zullen verrichten dat over uiterlijk drie maanden klaar is.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt: het is niet op voorhand uit te sluiten dat de rapportage van het iMMO een begin van onderbouwing van het asielrelaas kan opleveren. Uit het GCA-dossier van betrokkene blijkt dat hij lichamelijke klachten en littekens heeft. Als het iMMO concludeert dat de verwondingen passen bij het relaas en de IND zou toch blijven twijfelen, dan is het aan de IND om een andere deskundige in te schakelen. Deze gevolgtrekking maakt de voorzieningenrechter op grond van het arrest van het EHRM van 9 maart 2010 in de zaak R.C. tegen Zweden LJN: BM4069, r.o. 53. Uit dit arrest volgt dat indien  er op grond van een medisch rapport sterke aanwijzingen zijn dat de vastgestelde littekens en verwondingen van een vreemdeling door marteling zijn veroorzaakt, het volgens het EHRM aan het bestuursorgaan is om twijfel over de oorzaak van de littekens en verwondingen weg te nemen. Dit, ondanks het feit dat het bestuursorgaan in eerste instantie het asielrelaas ongeloofwaardig heeft geacht.

Ook stelt de voorzieningenrechter dat de IND aanleiding had moeten zien betrokkene door te sturen naar de verlengde asielprocedure, nu het iMMO een onderzoek heeft toegezegd en een einddatum aangegeven heeft. De voorlopige voorziening wordt toegewezen. Betrokkene wordt verwezen naar de verlengde asielprocedure.

Onlangs is betrokkene gezien door een rapporteur van het iMMO en  de rapportage wordt opgemaakt.

 

Rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, 20 november 2012, zaaknummer AWB 12/18010

In onze vorige nieuwsbrief heeft u kunnen lezen over de 36-jarige man die na deelname aan de demonstraties van 2011 00in Iran werd gemarteld (Casus ‘Duidelijke littekens’). Wij meldden toen dat de iMMO-rapportage in de beroepsfase bij de rechtbank zou worden ingediend. De behandeling van het beroep vond echter plaats zonder de iMMO-rapportage af te wachten. De advocaat had wel de brief van iMMO overgelegd waaruit bleek dat onderzoek was toegezegd en binnen enkele maanden zou plaatsvinden. De rechtbank achtte het Medisch Advies van MediFirst niet inzichtelijk en door hier geen nader onderzoek naar te doen had de IND niet voldaan aan de op haar rustende vergewisplicht. Het beroep werd gegrond verklaard. De rechtbank vernietigde de beschikking van de IND en droeg de IND op een nieuw besluit te nemen met in achtneming van de op handen zijnde rapportage van het iMMO. Deze werd begin januari 2013 ingediend. Begin februari jongstleden werd de asielaanvraag alsnog toegewezen.



Nieuwsbrief nr. 7, 26 november 2012

Het aantal zaken waarbij een iMMO-rapportage door de rechtbank bij de beoordeling van het beroep wordt meegewogen is groeiende. Hier worden twee uitspraken nader toegelicht waarin de iMMO-onderzoeker wordt gevolgd in de conclusie dat de medische problematiek betrokkene tijdens het horen dusdanig kan hebben belemmerd, dat het mogelijk effect had op het coherent en consistent verklaren. In de eerste uitspraak is dat niet alleen tijdens het gehoor bij de eerste asielaanvraag maar ook tijdens het horen bij de herhaalde aanvraag van toepassing. De tweede uitspraak laat bovendien zien dat een iMMO-rapportage als novum kan gelden.


Rechtbank ‘s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem,   3 juli 2012, zaaknummers AWB 12/19247 (voorlopige voorziening), AWB 12/ 19246 (beroep). LJN :BX7325

Op 6 juni 2012 dient een man afkomstig uit Iran een herhaalde asielaanvraag in waaraan bekering tot het christendom ten grondslag ligt. Naast een doopcertificaat overlegt de man een iMMO-rapportage. De man staat onder behandeling bij de GGZ vanwege een Post Traumatische Stress Stoornis. Daarnaast wordt  hij  medisch behandeld voor Hepatitis C. De herhaalde aanvraag wordt afgewezen o.g.v. artikel 31 lid 1 jo lid 2 onder f Vw. Bij de eerste asielaanvraag op 10 februari 2010 had de man aangevoerd Iran te hebben verlaten in verband met ondervonden problemen met de Iraanse autoriteiten ten tijde van de presidentsverkiezingen van 2009. De voorzieningenrechter stelt dat er sprake is van een nieuw asielmotief dat geen verband houdt met hetgeen de man aan de eerste aanvraag ten grondslag heeft gelegd.

In beroep wordt door de advocaat aangevoerd dat de man niet door MediFirst is gezien terwijl bij de aanvraag medische stukken zijn overgelegd – onder andere het iMMO-rapport – waaruit blijkt dat er sprake is van voornoemde PTSS. Daarbij valt uit het rapport van het nader gehoor, het voornemen en de beschikking niet af te leiden dat tijdens de procedure rekening is gehouden met de geestelijke gesteldheid van de man. De advocaat stelt dat de IND de in artikel 3:2 Awb neergelegde onderzoeksplicht heeft geschonden. De IND voert aan dat er bij herhaalde asielverzoeken geen verplichting bestaat een medisch onderzoek aan te bieden. Daarbij ziet de iMMO-rapportage op de vraag of de man ten tijde van zijn eerste asielaanvraag, begin februari 2010, compleet, coherent en consistent heeft kunnen verklaren, terwijl MediFirst geen uitspraken over het verleden kan doen, aldus de IND. Noch uit het verslag van het nova-gehoor noch  anderszins is volgens de IND gebleken dat de man over zijn huidige asielmotief – de bekering tot het christendom- niet compleet, coherent en consistent heeft kunnen verklaren.

De voorzieningenrechter wijst op het feit dat de arts in de iMMO-rapportage van 30 april 2012 aangeeft dat het belangrijk is stil te staan bij het feit dat de man op hoofd is geslagen en bewusteloos is geraakt. De arts stelt daarbij dat het bekend is dat klappen op het hoofd en bewusteloosheid een negatief effect hebben op de geheugenfunctie over de periode voor en na het voorval (retrograde en post-traumatische amnesie). Uit het iMMO-rapport volgt dat aannemelijk is dat er sprake is van beperkingen om compleet, coherent en consistent te verklaren. Weliswaar gaat de arts in het rapport uitgebreid in op de vraag of het voor de man mogelijk is geweest om ten tijde van zijn eerste asielaanvraag compleet, coherent en consistent te kunnen verklaren, maar volgens de rechter is er geen reden om aan te nemen dat dit niet zou gelden voor het gehoor van de man bij de herhaalde asielaanvraag van 8 juni 2012. Immers, de arts heeft in de rapportage geconcludeerd dat er sprake is van retrograde en posttraumatische amnesie. Volgens de rechter is het daarom niet uitgesloten dat die omstandigheid van invloed is geweest op de verklaringen van de man omtrent zijn bekering tot het christendom, data en chronologie in dat verband en zijn innerlijke drang tot bekering.

De IND is gehouden om in voorkomende gevallen, indien daartoe aanleiding bestaat, een medisch onderzoek aan te bieden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2011 (nr. 201103410/1/V4) volgt dat er stukken moeten worden overgelegd waaruit niet alleen blijkt dat de vreemdeling medisch is behandeld, maar ook welke behandeling is gegeven. Gelet op het feit dat de man medische stukken – waaronder de iMMO-rapportage- heeft overgelegd waaruit blijkt dat er sprake is van beperkingen om compleet, coherent en consistent te verklaren, had de IND de man een medisch onderzoek moeten aanbieden. Door dit na te laten is artikel 3:2 Awb geschonden. Beroep gegrond.

 

Rechtbank ‘s-Gravenhage, 20 november 2012, zaaknummers AWB 12/33536 (voorlopige voorziening), AWB 12/33565 (beroep)

Een vrouw met de Ethiopische nationaliteit dient op 12 oktober 2012 een herhaalde asielaanvraag in. Bij de aanvraag wordt ter toelichting een iMMO-rapportage van 6 september 2012 overgelegd. Hieruit blijkt onder meer dat de vrouw een Post Traumatische Stress Stoornis en ernstig depressieve klachten heeft. De advocaat geeft aan dat de vrouw al ten tijde van haar eerste asielaanvraag, eind september 2010, niet in staat was alles te vertellen omdat zij niemand vertrouwde, bang was en psychische klachten had. Dit blijkt ook uit de iMMO-rapportage; na verrichting van psychiatrisch en psychologisch onderzoek geeft de klinisch psycholoog aan dat de ernst van het ziektebeeld en de eerdere aanwijzingen vroeg in de eerste asielprocedure, het zeer waarschijnlijk maken dat toentertijd ook sprake was van beperkingen om te komen tot een compleet, coherent en consistent asielrelaas. Ook uit het destijds gegeven Medisch Advies Horen en Beslissen van MediFirst blijkt dat er sprake was van medische problematiek die van invloed kon zijn op de verklaringen van de vrouw. Met het bestaan van deze problematiek is volgens de advocaat in de eerste asielprocedure geen rekening gehouden. De iMMO-rapportage geeft daarnaast aan dat bij de opvolgende asielaanvraag nader medisch onderzoek geïndiceerd is. De vrouw wordt op 16 oktober gehoord, wederom verloopt dit niet goed. De herhaalde asielaanvraag wordt afgewezen met toepassing van artikel 4:6 Awb: geen nieuwe feiten en omstandigheden.

Het beroep concentreert zich op de volgende twee punten:
1)     De overgelegde iMMO-rapportage is volgens de advocaat wel degelijk een novum in de zin van artikel 4:6 Awb.
2)     De IND had gelet op de omstandigheden waaronder het nova-gehoor van de vrouw is verlopen en hetgeen is gesteld in de iMMO-rapportage en de op 17 oktober aan de IND overgelegde brief van de huisarts, aanleiding moeten zien om MediFirst te vragen nader te onderzoeken of de vrouw in de herhaalde aanvraag überhaupt gehoord had kunnen worden.

De voorzieningenrechter oordeelt hierover als volgt:

1) Het iMMO-rapport bevat voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de vrouw in haar eerste procedure niet in staat is geweest om compleet, coherent en consistent te verklaren. Indien de IND op de hoogte zou zijn geweest van de psychische toestand van de vrouw had de IND bij de beoordeling van het asielrelaas hier rekening mee moeten houden. Daarbij acht de rechter het ‘ zeer wel mogelijk’ dat de vrouw juist door haar trauma werd verhinderd om de IND en zelfs haar advocaat op het bestaan ervan te wijzen. Dit zou betekenen dat het niet wijzen op het bestaan van het trauma in de eerste procedure, haar door de IND ook niet kan worden tegengeworpen.
Het verzoek van de advocaat bij de herhaalde asielaanvraag wordt -mede gelet op de daarbij gegeven toelichting- door de voorzieningenrechter aangemerkt als een verzoek om het, feitelijk ongewijzigde, asielrelaas van de vrouw opnieuw te beoordelen. Conform het bepaalde in de Vreemdelingencirculaire C14/3.5.2, dient hierbij voor wat betreft de geloofwaardigheid rekening te worden gehouden met de inhoud van het iMMO-rapport. De advocaat heeft met het iMMO-rapport aan dit verzoek een nieuwe omstandigheid ten grondslag gelegd, aldus de voorzieningenrechter.

2) De voorzieningenrechter stelt dat indien bij gedwongen terugkeer een reëel risico bestaat voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM de IND ook bij herhaalde asielaanvragen het refoulementverbod  in acht dient te nemen. Met het iMMO-rapport is volgens de rechter een begin van bewijs geleverd dat de psychische klachten van de vrouw a) gerelateerd zijn aan traumatische gebeurtenissen die mogelijk onder de reikwijdte van artikel 3 EVRM vallen en b) ook thans beperkingen opleveren op haar vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. Op grond van het in artikel 3:2 Awb neergelegde vereiste een besluit zorgvuldig voor te bereiden lag het dan ook volgens de rechter op de weg van de IND om hier een nader onderzoek naar te doen en te bezien hoe de verklaringen van verzoekster -rekening houdend met haar psychische gesteldheid en de conclusies uit het iMMO-rapport- moeten worden beoordeeld op geloofwaardigheid. Door dit na te laten en de aanvraag met toepassing van artikel 4:6 Awb af te wijzen heeft de IND artikel 3:2 Awb geschonden en een onjuist toetsingskader toegepast, aldus de voorzieningenrechter.

Het beroep wordt gegrond verklaard.


Nieuwsbrief nr. 6, 25 juni 2012

Drie keer AA

Het iMMO ontvangt regelmatig aanvragen voor medisch onderzoek in de zogenaamde algemene asielprocedure (AA-procedure). De AA-procedure neemt in beginsel 8 dagen in beslag en vaak wordt binnen twee weken het verzoek om een voorlopige voorziening toe te kennen, behandeld bij de rechtbank. De rechtbank kan in deze zaken ook direct inhoudelijk beslissen op het beroep tegen de beslissing van de IND. Gedurende deze korte termijnen zal het iMMO vaak niet lukken om een aanvraag voor een medisch onderzoek te beoordelen, een uitgebreid medisch onderzoek te doen en daarover te rapporteren. In de vreemdelingencirculaire staat echter dat een rapportage van het iMMO wordt meegewogen in de beoordeling van de geloofwaardigheid. De asielzoeker en diens advocaat zijn derhalve afhankelijk van de voorzieningenrechter om het belang van het onderzoek te beoordelen en mee te wegen in het verzoek om een voorlopige voorziening. Inmiddels hebben betrokken advocaten in drie zaken terugkoppeling ontvangen op welke wijze de rechtbank met een dergelijk verzoek is omgegaan.

In twee van de drie zaken erkent de voorzieningenrechter het belang van een medisch onderzoek in het kader van de betreffende asielaanvraag. In de derde zaak zag de voorzieningen rechter geen aanleiding om het onderzoek van iMMO af te wachten en besliste op het beroep. In die zaak is de advocaat in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak.

 

Casus 1
De eerste zaak betreft een man uit Nepal van wie de aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning op 23 maart in behandeling is genomen en op 2 april werd afgewezen. De advocaat diende een aanvraag in bij het iMMO omdat cliënt zich bij de nabespreking van het nader gehoor niet goed kan herinneren waarom en welke antwoorden hij heeft gegeven. Op 14 april zegde het iMMO op basis van een ingevulde Signaleringslijst Psychische Problemen en de signalen van de advocaat een onderzoek toe, om te beoordelen of er sprake is van medische klachten die interfereren met het vermogen om volledig, coherent en consistent te verklaren.

Op 19 april besliste de rechtbank (‘s–Gravenhage, Nevenlocatie Rotterdam, AWB 12/1114) naar aanleiding van de toezegging van het iMMO om op korte termijn een medisch onderzoek  te verrichten als volgt: ‘Nu ingevolge verweerders beleid, neergelegd in C14/3.5.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000, de inhoud van een rapport van het IMMO wordt meegenomen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van verzoeker alsmede dat thans niet vooruitgelopen kan worden op de uitkomst van het onderzoek door het IMMO, is de voorzieningenrechter van oordeel dat een situatie als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht zich hier niet voordoet en zal derhalve thans geen uitspraak doen in de hoofdzaak.’

 

Casus 2
Betreft een man uit Sri Lanka die op 30 maart 2012 arriveert op Schiphol. De aanvraag tot verlening van een asielvergunning wordt op 3 april in behandeling genomen. Op 9 april wordt de beschikking uitgereikt waarin betrokkene wordt afgewezen vanwege veronderstelde inconsistente verklaringen. De advocaat dient een aanvraag medisch onderzoek in omdat betrokkene uitgebreide littekens heeft die naar eigen zeggen verband houden met marteling die hij heeft ondergaan. De littekens worden ook genoemd in het rapport van MediFirst. MediFirst constateert evenwel geen beperkingen in het kader van horen en beslissen.

Op 18 april wijst het iMMO op basis van het dossier en alle beschikbare medische stukken een medisch onderzoek toe. Het doel is vast te stellen of de littekens, lichamelijke klachten en psychisch klachten passen bij de gestelde martelingen en inhumane behandeling in land van herkomst. Tevens wordt gekeken of er medische klachten zijn die interfereren met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren.

Op 20 april wijst de rechtbank (’S-Gravenhage, zittinghoudende te Amsterdam, AWB 12/11861) de voorlopige voorziening toe op grond van het beleid neergelegd in de vreemdelingencirculaire en voegt daaraan toe: ‘De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is uit te sluiten dat de rapportage van het IMMO in combinatie met het vaststaand gegeven dat verzoeker uitgebreide littekens heeft over zijn lichaam, een ander licht op de zaak werpt.

 

Casus 3
In deze zaak gaat het om een Soedanese man van wie de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel op 13 april in behandeling is genomen. MediFirst constateert beperkingen ten aanzien van het horen en beslissen en vermeldt de aanwezigheid van littekens. Op 21 maart is de asielaanvraag afgewezen omdat het relaas op enkele punten onvoldoende gedetailleerd is bevonden. Op 2 april wijst het iMMO een medisch onderzoek toe op basis van het asieldossier inclusief de informatie met betrekking tot medische klachten en de aanwezigheid van littekens die mogelijk het gevolg zijn van marteling. Het doel van het onderzoek is in de eerste plaats om te kijken of de medische klachten en littekens passen bij het gestelde asielrelaas. Secundair worden medische beperkingen die van invloed zijn op het vermogen om te verklaren meegenomen.

De rechtbank (rechtbank ’S-Gravenhage, Nevenzittingsplaats Utrecht, AWB 12/9701 en AWB 12/9703, 17 april) verklaarde het beroep eerst op twee punten gegrond en vernietigde het besluit van de IND. Echter de voorlopige voorziening is niet toegekend en de rechtbank besliste dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijft. De voorzieningenrechter oordeelde dat het medisch onderzoek niet hoeft te worden afgewacht.

De rechtbank overweegt hierbij ten aanzien van het aangekondigde IMMO onderzoek: ‘Wat betreft de tekenen van mishandeling op verzoekers lichaam stelt de voorzieningenrechter vast dat MediFirst deze heeft onderkend en heeft meegewogen in het advies. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit niet onder verwijzing naar dat advies op het standpunt heeft mogen stellen dat niet is gebleken dat verzoeker door het bestaan van littekens, verdriet en schaamte, hoewel dit te betreuren valt, niet kan worden gehoord.’ En vervolgens: ‘Gelet op het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat niet aannemelijk is geworden dat verzoeker onvoldoende adequaat of onvolledig heeft kunnen verklaren.  (…) De voorzieningenrechter ziet gelet op deze conclusie geen grond voor het oordeel dat verweerder verzoeker aanvullend had moeten (laten) onderzoeken alvorens het bestreden besluit te nemen. Evenmin bestaat om die reden aanleiding om het rapport van IMMO af te wachten en de behandeling van het beroep aan te houden.’

De voorzieningenrechter concludeert hier dus dat er geen aanleiding is om het iMMO-onderzoek af te wachten in het kader of betrokkene adequaat en volledig heeft kunnen verklaren. Een opvallende uitspraak omdat het doel van het onderzoek primair gericht is om de vraag te beantwoorden of er een causale relatie is tussen de littekens en psychische klachten van betrokkene en het asielrelaas. Dat MediFirst littekens meldt doet hier niet aan af omdat MediFirst een heel andere vraagstelling hanteert. MediFirst onderzoekt expliciet niet of littekens, lichamelijke en psychische klachten voortkomen uit het gestelde asielrelaas.

Daarnaast is het opvallend dat de voorzieningenrechter in deze zaak concludeert dat een nader onderzoek niet afgewacht hoeft te worden met betrekking tot de vraag of betrokkene voldoende adequaat en volledig kan verklaren, vooral daar MediFirst al had geconcludeerd dat er sprake was van beperkingen ten aanzien van het vermogen om te kunnen verklaren. De advocaat is in deze zaak in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank. Het iMMO heeft alsnog een medisch onderzoek laten uitvoeren.


 

Nieuwsberichten

Europees project Maieutics afgesloten

iMMO heeft in 2011 en 2012 geparticipeerd in een EU samenwerkingsproject met organisaties uit Italië, Groot-Brittannië, Griekenland en Roemenië om te komen tot een ‘good practise’ voor het horen van asielzoekers die in het land van herkomst gemarteld zijn of slachtoffer werden van andere schendingen van mensenrechten. Centraal stond daarbij hoe om te gaan met medische problematiek indien dat het vertellen van het asielverhaal bij een immigratiedienst of de advocaat in de weg staat.

Vervolg ‘Maieutics’ als filosofisch begrip, staat voor het helpen geboren worden van kennis en ideeën met behulp van het stellen van de juiste vragen. In dit project ging het om de gedachte dat door meer begrip voor de effecten van trauma het asielrelaas beter naar voren zal komen. Tijdens het project hebben in een aantal landen trainingen plaatsgevonden waarbij IND ambtenaren, advocaten en anderen die het verhaal ten behoeve van de asielprocedure moeten optekenen, nauw moesten samenwerken met een psycholoog. Er bleek veel onwetendheid over de aard en verschijningsvorm van psychische problematiek bij slachtoffers van marteling en geweld. Het project bestond uit verschillende expertmeetings en werd op 14 december 2012 afgesloten met een congres in Rome waarin het gezamenlijk vervaardigde handboek werd aangeboden aan de directeur van de Italiaanse Immigratiedienst. Het handboek is in het Engels verschenen en bevat aanbevelingen hoe de opvang- en immigratiediensten van lidstaten met behulp van psychologische inzichten beter toegerust zullen zijn zodat slachtoffers sneller her- en erkend worden. Dat betekent minder gezondheidsschade voor de slachtoffers en minder kosten omdat zij eerder aan herstel kunnen werken. Daarnaast verkleint het de kans op beroepsprocedures hetgeen uiteindelijk ook een kostenbesparing oplevert. Maieutics. A common interdisciplinary working methodology (legal-psychological). Onder redactie van de Italian Council for Refugees-CIR (Rome 2012).